
Een schrijver die zijn pen versnijdt, Jan Ekels (II), 1784 (Rijksmuseum).
Na afloop van een optreden las ik vorige week rond middernacht in de trein naar huis op Tzum de reactie van Arjan Peters, juryvoorzitter van de Hans Vervoort Prijs, op het nieuws dat een van de genomineerde auteurs, Walter van den Berg, in een interview had verteld gebruik te hebben gemaakt van AI om zijn roman te schrijven. Volgens Peters was dat geen probleem, hoewel het reglement voor de prijs werd aangescherpt:
Het ingezonden proza moet het werk zijn van een menselijke auteur. Het gebruik van kunstmatige intelligentie (AI) is uitsluitend toegestaan als redactioneel hulpmiddel, vergelijkbaar met de rol van menselijke redacteuren.
Ik ga even voorbij aan de vraag hoe de jury dit wil controleren, de opmerking over ‘de rol van menselijke redacteuren’ vind ik interessant. Wat is eigenlijk de rol van een redacteur, menselijk of niet?
Meer dan tien jaar heb ik in vaste dienst als redacteur gewerkt (1990-2001) en nu nog steeds redigeer ik af en toe een boek. Als ik een klus aanneem, vraag ik altijd om het complete manuscript. Hak alle knopen eerst maar eens door, dan weten we waarover we praten. Het geheel overziend kan ik dan soms met nuttige suggesties komen of zwakke scènes aanwijzen, vlakke personages ontmaskeren, onafgemaakte verhaallijnen elimineren, overbodige mijmeringen schrappen.
Ik weet dat er redacteuren zijn die het liefst samenwerken met auteurs die juist nog bijna niets hebben opgeschreven, maar ik denk dat deze auteurs vooral mensen zijn die ‘een boek’ wil schrijven, bijvoorbeeld over hun trauma’s of triomfen. Ook mensen die formuleboeken maken als thrillers en feelgoodromans zullen baat hebben bij een redacteur die zegt: waarom kiezen we niet Ibiza als decor? Maar een schrijver die aan een literair oeuvre wil bouwen, zal (in mijn ogen) in eerste instantie zoveel mogelijk zelf moeten doen, omdat je als je literatuur probeert te maken op zoek moet gaan naar de bron die zich ergens in je onderbewustzijn bevindt — daaruit kunnen je boeken gaan stromen. Dit is een beperkte opvatting van hoe literatuur tot stand komt en toch denk ik dat interessante schrijvers uit hun onderbewustzijn putten.
AI-hulpmiddelen, zoals ChatGPT en Claude, ik noem ze vanaf nu even ‘de machine’ kunnen vast goed als klankbord op afroep dienen, want de machine is doorgaans goed geluimd, heeft eindeloos geduld en geeft overal antwoord op. De scheidend hoofdredacteur van het tijdschrift Schrijven Magazine, Frank Noë, las ik eerder op Tzum, gebruikte de machine ‘bij het opzetten van een dystopische coming-of-ageroman die zich afspeelt in 2040’:
Stap voor stap bouwde ik samen met Claude aan de opzet van het verhaal. In een paar uur ‘bespraken’ we de structuur. Claude kwam met goede suggesties. En soms ook met hele cliché-oplossingen. Maar als ik dan schreef: dat ligt te veel voor de hand, laten we het subtieler maken. Dan dacht Claude zonder problemen met mij mee in die richting. Aanvankelijk was ik sceptisch over wat AI het creatieve schrijfproces kan bieden, maar aan het eind van de middag was [ik] overtuigd. AI is een hele goede schrijfcoach.
In dit geval werd Claude dus al ingezet nog voor de schrijver ook maar een letter op papier had gezet. Dat is zo ongeveer het tegenovergestelde van wat ik probeer als redacteur — en trouwens ook van wat ik als schrijver van een redacteur verwacht.
Het belang van een redacteur voor het zo goed mogelijk krijgen van een tekst lijkt me duidelijk: de redacteur is degene die het eindproduct intern moet zien te verkopen aan de rest van de uitgeverij, waarna het boek wordt aangeboden aan de boekhandel en iedereen hoopt dat het zo goed mogelijk zal verkopen. Natuurlijk kan er een conflict staan over een bepaalde passage, maar uiteindelijk hebben redacteur en auteur een gezamenlijk doel: een zo goed mogelijk boek maken dat zoveel mogelijk lezers bereikt.
Wat is het belang van de machine ten opzichte van de schrijver? Je zou kunnen zeggen dat juist de belangeloosheid van de machine als ‘schrijfcoach’ een pré is. Immers, de machine heeft geen commerciële belangen bij het boek in wording. Er zal nooit een conflict ontstaan over een scène of de keuze voor een titel, omslag of flaptekst. De machine werkt alleen voor degene die de prompts bedenkt.
De machine staat altijd voor je klaar en dat is toch iets anders dan een echte redacteur of zelfs ‘schrijfcoach’: die kun je niet voor elke metaforische scheet die dwarszit gaan bellen. Nee, een redacteur zal misschien één keer in de week, of in de maand, of in het (half)jaar contact met je opnemen om te vragen hoe het gaat. De samenwerking wordt uiteraard intensiever als het manuscript is ingeleverd, maar in de tussentijd ben je op jezelf aangewezen. Mijn ervaring is dat de oplossingen voor de problemen waar de tekst je voor stelt zichzelf uiteindelijk aandienen. Tegen een bepaalde kwestie in Aan het einde van de oorlog heb ik misschien wel een jaar aan zitten hikken en zie: opeens was daar de oplossing. Uit het niets, of waarschijnlijk uit mijn onderbewustzijn.
De machine is een gratis hulplijn die je al kunt inschakelen nog voor er sprake is van een probleem in de tekst, zoals de scheidend hoofdredacteur vertelde. Ik vraag me nog steeds af: wat staat er tegenover de schijnbaar belangeloze hulp van de machine? Deze uitvinding wordt uitgevent door het ultrakapitalisme, het kan niet zo zijn dat dit gratis is. No free lunch, mensen! Reken maar dat alles wat je in de machine stopt wordt gebruikt om de machine te trainen en jouw profiel te maken.
Zelf werk ik niet met de machine, om talloze redenen, maar laatst zocht ik naar de herkomst van een dichtregel. Ik meende dat die regel van Anna Bijns of misschien van Hadewijch was, maar ik kon nergens de bron vinden van: ‘Begraaf me niet te diep.’ Ik riep de hulp van wat vrienden in en een van hen gebruikte de machine om het antwoord te vinden. Hij stuurde mij de correspondentie met ChatGPT door over dit onderwerp. Het was een enorme hoeveelheid tekst, die uiteindelijk niet het gewenste antwoord bracht. Mij viel het op dat Chat ‘Wil je dat ik verder zoek?’ GPT vooral bezig leek om mijn vriend aan de lijn te houden, zoals je wel hoort over telefonische oplichters die zich voordoen als bankmedewerkers of politieagenten en drie uur aan het bellen zijn om een negentigjarige ertoe te bewegen alle kostbaarheden en baar geld in een tas te stoppen en mee te geven aan ‘mijn collega die straks bij u aanbelt’.
Het voornaamste belang van de machine moet dan ook gelegen zijn in het afhankelijk maken van gebruikers. Ooit zei Wim Kan over de televisie dat het uitzetten van het toestel altijd moeite kost, het is net of je een muis dood moet knijpen. Dat geldt ook voor de machine, die al snel een gewoonte wordt waar je niet meer zonder kunt. De machine eet je tijd op, berooft je van vaardigheden en voorkomt dat je problemen zelf oplost.

In zijn boek The Creative Act: A Way of Being geeft Rick Rubin (producer van onder meer The Red Hot Chilli Peppers en Johnny Cash) voorbeelden van alledaagse creativiteit. Hij zegt bijvoorbeeld: als je naar huis rijdt in de auto en de weg die je normaal kiest blijkt te zijn afgesloten, dan bedenk je al snel hoe je wel kunt rijden. Het oplossen van dit probleem ziet hij als een vorm van creativiteit. Iedereen zal inzien dat hij een punt heeft als je het vergelijkt met wat je ook zou kunnen doen: je eigen adres invullen op de routeplanner en slaafs volgen wat je telefoon je vertelt.
In de ogen van Rubin heeft creativiteit een factor ‘zelf doen’ en zelf doen kost altijd moeite. Ik verbaas me erover dat kinderen al vroeg de wens ‘zelf doen’ uitspreken en dat volwassenen proberen juist zo min mogelijk zelf op te lossen. Zelf doen heeft een keerzijde, zeker als het gaat over het creatieve proces en vooral over het schrijven: zelf doen = alleen doen. In een interview in de Volkskrant zei Connie Palmen onlangs over haar ‘radicale’ keuze voor het schrijverschap:
Het is een keuze voor een eenzaam bestaan. Dat is zwaar.
Een uitspraak met een hoog ach-en-wee-gehalte, maar ik begrijp wat ze bedoelt, ook al leid ik geen eenzaam bestaan: ik ben gelukkig getrouwd, ik heb twee geweldige kinderen, een poes en een hond, familie, vrienden, goede buren en ik kom vaker dan me lief is onder de mensen. Maar het schrijven zelf is een eenzaam proces. In een periode van vier jaar werkte ik twintig maanden aan Aan het einde van de oorlog en liet ik niemand zelfs maar een woord lezen. Al die tijd bestond het boek alleen in mijn hoofd en het kreeg vorm zonder feedback van een medemens.
Nu denk ik dat ik bijna ben bij wat ik wil vertellen — al wist ik nog niet dat ik hier zou uitkomen toen ik aan dit stuk begon (en dat is nu juist de alchemie die ik bedrijf). De machine lijkt het proces minder eenzaam te maken, dat moet de reden zijn waarom sommige mensen zo graag de hulp van deze machine inroepen, die immers overkomt en wordt aangesproken als een mens. De machine wordt als een goede redacteur of schrijfcoach ervaren, omdat het ding altijd beschikbaar is en de gebruiker een persoon van het ding kan maken, ‘iemand’ die altijd voor je klaar staat met opbouwende kritiek, geslijm en kletspraat. Iemand die er voor je is, waardoor je minder eenzaam bent en niet het gevoel hoeft te hebben het allemaal alleen te moeten doen. Door de hulp van de machine in te roepen, ontwijk je de eenzaamheid, maar ook het onderbewustzijn, waar zich de bron bevindt.
Daarmee is de machine als schrijfcoach een oplossing voor het verkeerde probleem — het schrijven van een roman moet een eenzaam proces zijn en je daartegen kunnen wapenen is deel van het talent van de schrijver. Ik noem het met nadruk talent, want eenzaam en zonder ruggespraak aan een project werken is niet voor iedereen weggelegd. Het is geen technische vaardigheid, er bestaan geen trucjes voor, een redacteur of schrijfcoach kan je er geen handige tips voor geven. Je moet eenzaam kunnen zijn om te schrijven. Ik bedoel dit niet pathetisch, romantisch of heroïsch. Die eenzaamheid heb je nodig om de bron in je onderbewustzijn aan te boren. Als je daar niet op stuit, delf je geen literatuur, ook al laat de machine je nog zoveel grammaticaal correcte zinnen schrijven.
De machine speelt dus niet ‘de rol’ die ‘menselijke redacteuren’ vervullen bij de totstandkoming van literaire teksten, hij verandert de schrijver in iemand die tekst produceert.
