Opnieuw relevant: debiel

De berichtgeving over de inzet van AI door onze premier doen bijna terugverlangen naar de tijd dat hij nog zelf zijn berichten schreef. In november 2022 schreef ik voor een landelijk dagblad een essay dat nooit geplaatst werd.

Debiel: als woorden er werkelijk toe doen, dan graag alle woorden

Midden in de pandemie deelde Rob Jetten, toen ook al voorzitter van de Tweede-Kamerfractie van D66, een nieuwsbericht op Twitter over een ‘Nederlandse met Chinese roots’ van 24 jaar die in de lift werd lastiggevallen door een groepje jongens dat een omstreden coronalied over de Aziatische oorsprong van het virus ten gehore bracht. Toen de vrouw daar iets over opmerkte, werd ze toegetakeld. Jetten schreef: ‘Wat een zieke en debiele actie. Een moedige vrouw spreekt jongens aan op racisme en bekoopt haar daad met mishandeling. Ik hoop dat Nederland luistert naar Cindy. Denk na wat je zegt of zingt. Woorden doen ertoe.’

Als woorden er inderdaad toedoen, vraag ik me af waarom Jetten het woord ‘debiele’ gebruikt. Hij had ook ‘walgelijke’ kunnen zeggen.

Niet alleen op Twitter, maar ook aan de talkshowtafels, in conférences en columns worden mensen dagelijks ‘debiel’ genoemd. ‘Debiel’ is een kwalificatie die begin vorige eeuw werd gebruikt om mensen met een verstandelijke beperking mee aan te duiden. Kinderen die niet mee konden komen werden onderverdeeld in ‘idioten’ (IQ onder de 35), ‘imbecielen’ (IQ tussen 35 en 50) en ‘debielen’ (IQ tussen de 50 en 70). Die terminologie heeft dus een psychologische oorsprong, maar de benamingen werden ook al snel ingezet als scheldwoord. Vandaag de dag gebruiken we idioot, imbeciel en debiel alleen nog om iemand uit te schelden, net als mongool, zwakzinnig en achterlijk. Ik beperk me even tot debiel, want door dat woord voel ik mij aangesproken als vader van een achttienjarige dochter die zich qua IQ ergens op de grens tussen imbeciel en debiel beweegt. In het boek dat ik over haar schreef, Leven met Lidewij, heb ik geprobeerd om haar als mens recht te doen, als iemand die de moeite waard is en die niet als incompleet mag worden beschouwd vanwege haar lage intelligentie.

Rob Jetten lijkt mij een oprechte strijder tegen onrecht: zoals in bovenstaande tweet tegen racisme, maar ook tegen andere vormen van discriminatie, met name homofobie. Ik neem hem juist als voorbeeld omdat hij zelf zegt dat woorden er toedoen en mensen aanspoort na te denken voor ze iets zeggen. 

Jetten wil de verdachten van de mishandeling treffen door ze ‘debiel’ te noemen. De eerste betekenis van het woord in het woordenboek is nog altijd ‘licht verstandelijk gehandicapt’, maar wordt wel als ‘verouderd’ gekwalificeerd, als verdere betekenissen worden daarna gegeven: ‘onnozel, dom, stompzinnig’.

Als Jetten zijn tweet had veranderd in: ‘Wat een onnozele actie’ zou zijn woede minder zijn bekoeld. Het woord ‘onnozel’ heeft van oudsher de betekenis van ‘onschuldig’: een kind dat per ongeluk iets kapot laat vallen, noem je onnozel. Van iemand die makkelijk voor de gek te houden is zeg je dat zij of hij onnozel is. Wat Jetten met ‘debiel’ wil zeggen, is echter juist niet ‘onnozel’; hij bedoelt eerder het tegenovergestelde van onnozel: ‘gemeen’.

Zelf krijgt Jetten vaak opmerkingen over zijn geaardheid. Hij zal ongetwijfeld beseffen dat iemand die ‘homo’ als scheldwoord tegen hem gebruikt, daarmee niet alleen hem, maar alle homo’s tracht te beledigen.

Ik ben me ervan bewust dat woorden van betekenis veranderen, maar in het geval van ‘debiel’ blijft het woord voor mij terugverwijzen naar de groep waartoe mijn jongste dochter wordt gerekend. Daarom ben ik van mening dat Jetten met deze term eerder ‘debielen’ beledigt dan de mensen die hij wil raken, net zoals iemand die is opgelicht en spreekt van een ‘jodenstreek’ in de eerste plaats joden beledigt en niet de zwendelaar in kwestie. Het verschil met het gebruik van ‘homo’ of ‘jood’ als belediging is dat nauwelijks iemand over het woord ‘debiel’ valt. Een kwartiertje corvee in het helse moeras dat Twitter heet, leverde een ongekende hoeveelheid haatberichten op waarin met ‘debiel’ wordt gescholden door mensen die het slechts oneens zijn met een ander. Jetten wordt door tegenstanders zelf ook regelmatig ‘debiel’ genoemd, net als bijvoorbeeld Sander Schimmelpenninck, die op zijn beurt net zo hard tweet: ‘iedere debiel mag roepen in dit land’.

Dat iedereen mag roepen, lijkt me een wezenskenmerk van de democratie, maar de werkelijkheid is anders: zo hard roepen debielen namelijk niet in dit land. Integendeel. Je hoort ze nooit. Als ze onterecht in verband worden gebracht met agressief, kwaadaardig en gewelddadig gedrag, zal niemand onder hen protesteren.

Nog een voorbeeld van Twitter: de doorgaans sympathieke wielerschrijver Thijs Zonneveld tegen zijn bijna tweehonderdduizend volgers op Twitter over iemand die in 2021 tijdens de openingsrit van de Tour de France op de weg ging staan met een groot stuk karton met een of andere tekst erop en een grote valpartij veroorzaakte: ‘Wat. Een. Debiel.’ In drie zinnen, die ieder maar een paar woorden korter zijn dan de zinnen die hij in zijn eigen boeken construeert, serveert hij niet degene die dit deed af, maar een grote groep anderen. Want de meeste debielen kunnen hun eigen naam niet eens schrijven, laat staan hun grootouders schriftelijk de groeten doen en dan een plan bedenken om dat te doen via een wielerkoers die live op televisie wordt uitgezonden. Lidewij zou dit bord steeds laten vallen en uiteindelijk buiten beeld op zijn kop houden. In Nederland is trouwens bij debielen ook altijd een ouder of begeleider in de buurt om te voorkomen dat ze ongelukken veroorzaken. Toen ik met Lidewij naar de passerende Giro ging kijken, stonden we op bijna honderd meter van het parcours.

De asociatie die dankzij het gescheld met woorden als ‘debiel’ zou kunnen ontstaan is dat mensen met een verstandelijke beperking gemeen zijn, achterbaks, kwaadwillend, haatdragend, misdadig, immoreel, zelfzuchtig, walgelijk, slecht — en dat zijn kwalificaties die over het algemeen nu juist helemaal niet gelden voor deze groep.

Er bestaan zeker mensen met een lichte verstandelijke beperking die niet vreedzaam zijn en agressief zijn. Onder degenen die vroeger werden betiteld als ‘randdebiel’ (IQ 70 tot 90) bevinden zich zelfs betrekkelijk veel bezitters van een strafblad. In een onderzoek dat tien jaar geleden verscheen, wees sociologe Marigo Teeuwen er al op dat deze jongeren als het gevolg van het feit dat ze zich buitengesloten voelen makkelijk ten prooi vallen aan kwaadwillende misdadigers. Zij zijn vaak tegelijk dader en slachtoffer.

De ‘debielen’, de verstandelijk beperkten die ik bedoel, hebben een iets lager niveau dan de ‘randdebielen’ en doen over het algemeen geen vlieg kwaad. In groepsverband iemand uitschelden, aanvallen en geweld aan doen, ik ken er geen enkel voorbeeld van. Zelfs iemand uitsluiten gebeurt zelden. Borden in de lucht steken tijdens de proloog van de Tour de France? Dat is toch echt voorbehouden aan slimmere mensen dan debielen.

Mensen met een verstandelijke beperking worden, niet alleen op de sociale media, maar ook in interviews en columns, aan de lopende band geassocieerd met gedrag dat zij zelden vertonen en ik weet dat het kinderachtig klinkt, maar dat is gewoon niet eerlijk. Ik vind dat mensen als mijn jongste dochter met dit gemakzuchtige gescheld onrecht wordt aangedaan, juist omdat Lidewij zo vredelievend is en altijd het goede wil en in haar onnozelheid nooit slecht denkt over een medemens, zelfs niet als ze onheus is behandeld.

In de supermarkt werden Lidewij en ik met een kar vol kerstinkopen uitgescholden door een man die bijna over haar hulphond viel doordat hij zelf niet uitkeek en probeerde voor te dringen met een zak croissantjes: ‘Die klotehond van jullie hoort niet in een winkel. Het is verboden en smerig. Welke debiel neemt nou een hond mee in de supermarkt?’

‘Dit is een hulphond,’ zei ik zo kalm als ik kon. ‘Die mag hier zijn. Daarom draagt hij ook een dekje. Kijkt u maar naar de sticker op de deur. Daar staat op dat hij welkom is. Andere honden niet, deze wel.’ En tegen Lidewij, die al bijna aan het huilen was, want ze kan niet tegen mensen die kwaad zijn, zei ik zachter: ‘Die meneer is een beetje boos. Hutsh mag gewoon met jou mee de supermarkt in.’

Hutsh lag op de grond aan Lidewijs voeten en keek op toen hij zijn naam hoorde.

‘Honden zijn hier verboden,’ verordonneerde de man, die verderop in een andere rij probeerde of hij daar misschien sneller aan de beurt zou zijn.

Hij ging nog even door met schelden en mopperen en ik kookte natuurlijk vanbinnen, maar ik wilde Lidewij niet laten merken hoe naar deze toestand was.

‘Ik schakel de Keuringsdienst van Waarde in,’ foeterde de man.

‘Waren,’ zei ik.

Lidewij staarde sip naar de boze man en zei alleen voor zich uit: ‘Ik denk dat die meneer haast heeft.’

Ik werd gered door een mevrouw die achter ons in de rij stond en die aan Lidewij vroeg: ‘Wat hoor ik nu? Is die lieve hond van jou? Hoe heet ie?’

‘Hutsh,’ zei Lidewij en ze straalde weer als vanouds.

Zelfs als de man Lidewij inderdaad bewust aansprak als ‘debiel’, wat ik betwijfel, want hij keek nauwelijks naar ons, druk als hij was met voordringen, bedoelde hij met zijn opmerking dat niet alleen de hond maar ook Lidewij en ik eigenlijk niet thuishoren in een supermarkt die hij bezoekt, omdat we met zijn drieën te veel afwijken van wat hij blijkbaar normaal vindt. In zijn wereld loopt iemand met een beperking alleen maar in de weg.

Het heeft lang geduurd voor ik erachter was wat mij nu precies dwarszit aan het gebruik van het woord ‘debiel’ als belediging, maar deze herinnering aan het supermarkt-incident heeft het duidelijk gemaakt. Een soortgelijke redenering als de boze man maakte, gebruiken mensen – al dan niet onbewust – die woorden als ‘debiel’ inzetten om elkaar te bestrijden als het duidelijk niet om gedrag gaat dat kenmerkend is voor mensen met een verstandelijke beperking. Anderen worden met ‘debiel’ aangesproken op agressief gedrag en geweld, maar vooral op niets meer dan hun opvattingen over een bepaald onderwerp. 

Zie hiervoor Schimmelpenninck met zijn ‘iedere debiel mag roepen in dit land’, een uitspraak waarmee hij lijkt te suggereren dat de mensen die hij debiel noemt in een ideale wereld eigenlijk geen recht van spreken zouden moeten hebben. Mensen bedoelen met ‘debiel’ eenvoudigweg: wat mij betreft is er voor jou geen plaats in deze maatschappij, jij zou niet moeten mogen stemmen en jij moet je mond houden. 

Naast de hoogte van iemands IQ is een belangrijk kenmerk van mensen met een verstandelijke beperking: ze staan aan de rand van de maatschappij, ze doen niet echt mee. Ze zitten op speciale scholen en wonen en werken in een beschermde omgeving, ze worden vaker dan anderen genegeerd, uitgelachen, buitengesloten. Omdat ze hun leven lang afhankelijk van anderen blijven, doen ouders, begeleiders, ondersteuners en naasten juist hun best verbinding te leggen met de maatschappij. Dat is een voortdurende strijd.

Wie iemand vanwege een meningsverschil uitscheldt voor ‘debiel’ bedoelt dus niet: ‘jij bent zo dom als een debiel’, maar: ‘net als een debiel hoor jij niet thuis in de samenleving’.

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en ik zijn het er roerend over eens dat de vrijheid van meningsuiting ook bestaat om ‘enig deel van de bevolking te beledigen, te schokken of te verstoren’. Dus ik roep niet op om het woord ‘debiel’ te verbieden. Als iemand fascisten, gutmenschen, transfoben, D66-leden of Volkskrant-lezers wil beledigen door ze debiel te noemen: ga je gang. Ook al is het volgens mij volkomen zinloos om mensen met wie je het niet eens bent te beledigen en uit te schelden. Het is alleen je ongenoegen uiten en het lost niets op. Hoe vaker je iemand uitscheldt, hoe harder je roept, hoe meer je twittert, hoe duidelijker wordt dat niemand naar je luistert. Alleen dialoog kan ons redden, luisteren naar de ander, in plaats elkaar vanuit verbale loopgraven bestoken met rotwoorden.

Toch hoop ik dat mensen die dit stuk hebben gelezen voortaan voor ze in de scheldmodus gaan even nadenken over wie ze nu eigenlijk beledigen als ze iemand ‘debiel’ noemen.

Ik besef dat het persoonlijke associaties zijn die mij parten spelen. Mij als ouder van een kind dat een en al goedheid is, doet het pijn dat woord ‘debiel’ steeds maar weer te lezen en te horen als uiting van tot niets leidende haat. Het concept ‘liefde’ is Lidewij duidelijk — al denk ik soms dat ze evenveel van haar poppen houdt als van mij — maar het begrip ‘haat’ zal altijd een raadsel voor haar blijven. 

Mijn jongste dochter telt voor veel mensen al niet mee — dus als woorden er werkelijk toedoen, doe mij een plezier en scheld vrijelijk, maar hou rekening met mensen die je niet wilt treffen en probeer Lidewij erbuiten te houden — juist omdat ze ondanks haar goede bedoelingen en irenische inborst gedoemd is altijd een buitenstaander te blijven.