
Op dit weblog ben ik af en toe pal gaan staan voor mijn roman Aan het einde van de oorlog. Dat zouden meer schrijvers moeten doen, maar dan voor hun eigen boeken, en op hun eigen weblog. In de Nederlandse literatuur is het niet de gewoonte op te komen voor je werk en de kritiek van een weerwoord te voorzien, want daar geldt (kan het Hollandser?) het adagium: je moet stilzitten als je wordt geschoren.
Ik heb toch gereageerd op mensen die vinden dat mijn roman niet geschreven had mogen worden (of in ieder geval niet gelezen moet worden), mensen die mijn roman kitsch vinden en mensen die zich een mening aanmeten over mijn boek zonder het geheel te hebben gelezen.
Ik deed dit niet omdat ik meen dat mijn werk volmaakt is en geen kritiek verdraagt (ik heb hier ook laten zien dat ik nog meer dan honderdvijftig correcties heb aangebracht in de herdrukken van het boek, soms op grond van kritiek van anderen), want ik streef niet naar perfectie. Ik reageerde op die stukken, waarover ik lees dat ze niet voor de schrijver zouden zijn bedoeld, omdat ik vind dat er flauwekul in wordt beweerd, of omdat de schrijvers ervan over mijn intenties beginnen, zonder mij daar naar te hebben gevraagd.
De belangrijkste reden overstijgt mijn specifieke geval, want die gaat namelijk over de intenties van de critici zelf, die duidelijk worden uit hun kritieken en essays. Ik heb geprobeerd deze vooringenomen lezers/schrijvers van een repliek te voorzien. Mensen hoeven geen goede intenties te hebben als ze een boek lezen, ik krijg mailtjes van mensen die beginnen met: ‘Ik heb uw boek niet gelezen, maar [ik vind er wel iets van]’. Als mensen een boek van mij kwaadwillend lezen met de bedoeling er over te publiceren, voelde ik me tot gisteren genoodzaakt mijn werk tegen hun vooringenomenheid in bescherming te nemen. Ze lezen mijn boek klaarblijkelijk omdat ze weten of verwachten of hopen dat ze het niet goed zullen vinden en met het doel dat op te gaan schrijven. Dat doen ze dan vaak slordig, zonder argumentatie en met veel retoriek en grote woorden. In dat geval nemen ze een andere positie in dan een willekeurige lezer die van te voren al meent te weten dat mijn boek niets kan zijn, zeker aangezien deze critici deels ook zelf schrijver zijn of zich zo noemen en ik zulke stukken van hen ronduit oncollegiaal acht.
De afgelopen tijd gaf ik daarom kritiek op een stuk van iemand die aan het eind van de flaptekst al had kunnen weten: niets voor mij, maar die zich desondanks anderhalve maand aan mijn boek is gaan ergeren. En op een stuk van iemand die helemaal geen fictie over de nazi-misdaden wil lezen, tenzij ze die zelf schrijft. Iemand die weet dat hij dikke boeken niet kan verstouwen en mijn dikke boek toch (g)een kans geeft.
Nu vind ik het mooi geweest, ik ga mijn welwillendheid laten varen en die stukken niet meer lezen.
