
In NRC haalde Thomas de Veen afgelopen week een zinnetje van me aan dat ik eerder op dit weblog publiceerde: ‘als operaliefhebber heb ik gelukkig geen afkeer van kitsch’. Die uitspraak schreef ik naar aanleiding van een column op Tzum van collega Martijn van Bruggen waarin mijn roman Aan het einde van de oorlog ‘een kitscherig boek’ werd genoemd. Daarover hieronder meer.
Onlangs vroegen Marja Pruis en Charlotte Remarque in De Groene zich à propos mijn boek ook al af: ‘Hoe houd je kitsch op afstand?’ Een vraag die ze niet beantwoorden, vermoedelijk omdat ze allebei mijn boek niet hebben gelezen. Een vraag die denkelijk ook retorisch bedoeld is, maar ik zal proberen er een antwoord op te formuleren.
Het probleem met kitsch is dat iedereen er iets anders onder verstaat. Doorgaans wordt het pejoratief gebruikt, om aan te geven dat de spreker een betere smaak heeft dan degene die het werk waar het over gaat gemaakt heeft of de mensen die het werk waarderen.
Laten we beginnen met twee vormen van kitsch.
De eerste is die waar in een kunstuiting hevig op het gevoel wordt gespeeld, vaak door middel van sentiment, met het doel de beschouwer tot tranen toe te roeren. Robert C. Solomon noemt dit in zijn essay ‘On Kitsch and Sentimentality’ uit 1991 ‘sweet kitsch’. Daar krijgen we het zo nog over.

Daarnaast wordt de term kitsch aangewend om een werk aan te duiden dat nep is, dus geen echte kunst. Die betekenis hangt samen met de eerste, waarin ‘onechte’ emoties een rol kunnen spelen. Op Spotify vind je speellijsten met gepingel op kapotte piano’s waar je bij schijnt te kunnen ontspannen en dat in de verte op echte muziek lijkt, maar niets van de luisteraar vraagt (niet eens dat die luistert) en dat geen enkele artistieke intentie heeft, maar vooral bedoeld lijkt om een zo groot mogelijk deel van het abonnementsgeld binnen te harken, al zit er soms per ongeluk iets moois tussen. In het algemeen is dat kitsch van die tweede categorie. De meeste makers van dergelijke kitsch hebben misschien de bedoeling om kitsch te maken, of in ieder geval: geen kunst. Dat geldt ook voor sommige boeken (zeker niet alle!) (maar veel romans wel) met ‘Auschwitz’ in de titel. Ik wilde wel degelijk literatuur maken.
In een beroemd essay uit 1939, waarin Clemens Greenberg de schrijvers Simenon en Steinbeck noemt omdat zij zich volgens hem op de grens van kunst en kitsch bewegen, stelt hij onder meer:
Kitsch is mechanical and operates by formulas. […] Kitsch pretends to demand nothing of its customers except their money — not even their time.
Kitsch is dus makkelijk te verstouwen (in lectuurtermen: ‘leest lekker weg’) en steunt volgens hem op een cultureel reservoir waaruit voorgekauwd materiaal geput kan worden. Solomon stelt kitsch tegenover avant-garde. Ik meen dat hij bedoelt dat kitsch vooral recyclet terwijl kunst vooruitkijkt. Zo bezien zijn neo-stijlen kitsch, terwijl die toch ook meesterwerken als het Rijksmuseum hebben opgeleverd.

Bach in de bocht: zogenaamde Augenmusik in de aria ‘Blute Nur’ uit de Matthäus. Links onder de bovenste notenbalk begint het met het woordje ‘denn es ist zür’ en halverwege staat ‘Schlan — ge’), daarboven de noten en vooral de vlaggetjes daarvan die een kronkelende slang lijken te vormen. Is het letterlijk verbeelden van een woord op deze manier kunst, Spielerei of kitsch? (Berlin, Staatsbibliothek zu Berlin – Preußischer Kulturbesitz.)
Als ik zeg dat ik als operaliefhebber niet bang ben voor kitsch, dan bedoel ik de eerste vorm van kitsch, anders had ik wel geschreven dat ik dol op musicals ben. In zijn algemeenheid worden in muziektheater gevoelens expliciet benoemd en bezongen. Dat maakt veel opera’s, in combinatie met drakerige verhalen, sentimenteel. Sentimenteel en toch mooi.
Niet alleen in de opera gebeurt het, ook het grootste muziekstuk uit de geschiedenis van de mensheid, Bachs Matthäus Passion, kun je best betitelen als kitscherig. Honderd jaar na de eerste opvoering vroeg men zich al af, toen het stuk weer tot leven werd gewekt, of de van schuldige vroomheid walmende koraalteksten een eeuw later nog wel te pruimen waren. Tegenwoordig zwijmelen mensen weer weg bij een hoofd vol bloed en wonden. De door Bach geharmoniseerde melodieën waren vaak meer dan honderd jaar oud en deels overbekende deuntjes. Het verhaal kon iedereen dromen en het wordt verteld door een evangelist die alles uitlegt, de afloop verklapt en alle emoties benoemt, die dan vervolgens weer in aria’s worden bezongen. De manier waarop in de aria’s in deels van de piëtistische dichter Brockes geleende sentimentele versregels gevoelens expliciet worden verklankt, zou zonder de muziek zelfs door de vroomste toehoorder als tenenkrommend gejank worden ervaren. En dan de uitbeelding van Christus door Bach: elk woord dat Hij zegt wordt omgeven door een aureool van strijkers. Het is een verbijsterend effect en ik geloof een vondst van Bach, maar het is ook een verklanking van het gouden aureool uit de Renaissanceschilderkunst — bepaald geen toonbeeld van goede smaak. Deze trouvaille lijkt een voorloper van de violen die aanzwellen als het in een romantische komedie de goeie kant uit gaat met de aanstaande geliefden. De mensen die op Goede Vrijdag naar Bach luisteren en zich opgetild voelen, hebben dit toch vooral te danken aan de vorm die Bach heeft gegeven aan een inhoud waarvoor vrijwel geen ongelovige als die alleen werd voorgelezen naar de kerk of concertzaal was gekomen.
Dus waarom zou je deze soort ‘sweet kitsch’ vermijden als je de lezer wilt raken?
Ik lees nu de populaire roman Lázár van Nelio Biedermann. De 22-jarige Zwitserse schrijver speelt een spel met kitsch, dankzij een nostalgische blik op de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, de verwijzingen naar Mann, Roth, Freud, Schnitzler, Musil, Benn en Zweig, liefdesaffaires tussen de standen, stalknechten, paarden, spookverhalen, een waanzinnige, een bastaard, vluchtverhalen, kastelen, bloemrijke beschrijvingen van toestanden, overdadige vertellust, seks, de teloorgang van een tijdperk en het scherpstellen op de gevoelens van de personages, meer dan op hun gedachten. Het boek als geheel (ik heb het nog niet uit), is misschien ook wel kitsch en toch hoge kunst. Het ademt de sfeer van honderd jaar geleden en tegelijk had het toen nooit geschreven kunnen worden.
Natuurlijk serveer ik ook weleens iets af met de term ‘kitsch’ in de tweede betekenis, bijvoorbeeld in mijn stuk op dit weblog over The Boy in the Striped Pyjamas [Pajamas op de filmposter], waarin ik de blurbs op het omslag noem:
‘A story of innocence in a world of ignorance.’ Achterop heet het: ‘Lines may divide us, but hope will unite us…’ Mijn uitgever laat het wel uit zijn hoofd om met dergelijke rijmende kitsch mijn boek aan te prijzen, vooral omdat mijn boek zich werkelijk in de verste verte niet met die woorden laat samenvatten.
Nu door naar de veronderstelde kitsch in mijn boek. Zelf kan ik lastig bepalen welke vorm van kitsch bedoeld wordt in genoemde column van Martijn van Bruggen, die vorige week op Tzum werd gepubliceerd, maar ik geloof niet dat hij de term als een compliment bedoelt:
Dan kom ik bij het punt aan dat Fabian Stolk, die de afdrukken van Natter nog in zijn been heeft staan en definitief niet meer kan fietsen, al min of meer maakte: de roman overschrijdt de grens naar kitsch herhaaldelijk (‘lowbrowgarnituur’ noemt Stolk het). Waar Natter zich verweerde door aan te geven dat dit intentioneel is, kan ik mij toch niet aan de indruk onttrekken dat die overschrijding ook plaatsvindt op onbedoelde momenten: mijn persoonlijke ervaring van de gehele roman is namelijk dat het een kitscherig boek is en waarom Natter dat zou beogen weet ik niet. Ik heb momenten als kitsch gezien die de auteur zelf anders ziet. Van een passage over een goederentrein die eindigt met de suggestieve opmerking dat die nu een heel andere lading heeft dan vroeger kan ik behoorlijk geïrriteerd raken, maar de intentie van de auteur lijkt me dat niet. Nog erger: de Joodse leidinggevende van het Sonderkommando die ‘ziel en zaligheid in de sierlijke cijfers [heeft] gelegd’ boven de kapstokken in de kleedkamer voorafgaand aan de gaskamer.
Hij schrijft dus: ‘mijn persoonlijke ervaring van de gehele roman is namelijk dat het een kitscherig boek is en waarom Natter dat zou beogen weet ik niet.’ Wat zou ik beogen? Ik denk dat hij bedoelt dat hij zich niet kan voorstellen dat het mijn bedoeling zou zijn een in zijn ogen ‘kitscherig boek’ te schrijven, ook al geeft hij aan dat het zijn ‘persoonlijke ervaring’ is. Het is inderdaad niet zo dat ik me enige voorstelling heb gemaakt van hoe één specifieke lezer, in dit geval collega Martijn van Bruggen, mijn boek ‘persoonlijk’ zou ervaren. En dan schrijft Martijn van Bruggen dus: ‘Ik heb momenten als kitsch gezien die de auteur zelf anders ziet.’ Ik kan me niet herinneren dat ik daar verklaringen over heb afgelegd, maar goed, we gaan voort en ik zal straks ingaan op die ‘andere lading’ en ‘ziel en zaligheid’.
.
Om zijn stelling te ondersteunen citeert Van Bruggen Milan Kundera:
Kitsch wekt vlak achter elkaar twee tranen van ontroering. De eerste traan zegt: Wat mooi, kinderen die over een grasveld rennen! […] De tweede traan zegt: Wat mooi om samen met het hele mensdom ontroerd te zijn door kinderen die over een grasveld rennen!
Het is een doorlopend citaat uit het boek, dus wat die […] daar doet, weet ik niet. Dan vervolgt Van Bruggen met:
Het eerste voorbeeld is emotie in het moment, het tweede is emotie om het moment. Het voelt voor mij alsof dat Aan het einde van de oorlog voornamelijk op dat laatste sentiment speelt. De personages; de gruwelijkheden – we herkennen ze uit eerdere verslagen en verbeeldingen van de oorlog en die herkenning raakt ons. Niet alleen Joden en politieke gevangenen, maar ook subtiliteiten lijken in Natters kamp te worden vergast, begraven en in de fik gestoken, waardoor zelfs de oppervlakkige lezer niet zal ontgaan dat ook in zo’n lelijk kamp de zoektocht naar het schone, net als naar het jongetje Ernst, doorgaat tot de dood.
Dat citaat van Kundera komt uit De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, een roman die zich afspeelt tegen de achtergrond van een repressief communistisch regime dat kitsch inzet als façade waarachter de onderdrukking plaatsvindt. Dat is dus een derde vorm van kitsch, namelijk politieke kitsch, die niet van toepassing lijkt op mijn boek. Althans, ik val de kitsch van Derde-Rijk-romcoms aan met kitsch, maar dan in de setting van een concentratiekamp, door precies te laten zien wat de nazi’s met die films wilden verhullen.

Neem het voorbeeld van de ‘ziel en zaligheid’ waar Van Bruggen over valt. Of zo’n staande uitdrukking kitsch is, weet ik niet, een cliché zou je het zeker kunnen noemen. Het wordt in mijn roman uiteraard ingezet met een ironische bedoeling:
In opdracht van Zehlendorf schilderde hij in januari keurige nummertjes op de kapstokken, hij heeft zijn ziel en zaligheid in die sierlijke cijfers gelegd en tijdens het werk aan zijn vader gedacht.
De man over wie het gaat, is al maanden gedwongen om mannen, vrouwen en kinderen te vermoorden en hun lichamen te vernietigen. Daarbij is hij zelf ontmenselijkt. En nu horen we dat hij zijn ‘ziel en zaligheid’ heeft gelegd in het schilderen van nummertjes op kapstokken in de kleedruimte naast de gaskamer, waarin een in dit boek zeldzame echo doorklinkt van zijn vroegere bestaan: zijn vader was schilder. Veel belangrijker is dat deze man, van wie je toch zou kunnen zeggen dat hij een Faustiaans pact met de nazi’s heeft moeten sluiten, met die nummertjes zijn gruwelijke werk eenvoudiger heeft gemaakt, want ze zullen, keurig geschilderd als ze zijn, bij de mensen die vermoord gaan worden een betrouwbare indruk wekken, ze denken namelijk dat ze later hun spullen terug zullen vinden op de plek waar ze die hebben achtergelaten. Ten slotte was het schilderen van die nummertjes een klusje dat in nogal in schril contrast staat met zijn dagelijkse werkzaamheden. De keuze voor het cliché is hier dus weloverwogen; het alledaagse taalgebruik contrasteert met de grimmige realiteit.
Dan de ‘andere lading’ waar Van Bruggen zich aan stoort en waarvan ik volgens hem dus niet in de gaten heb dat die kitsch is:
Van een passage over een goederentrein die eindigt met de suggestieve opmerking dat die nu een heel andere lading heeft dan vroeger kan ik behoorlijk geïrriteerd raken, maar de intentie van de auteur lijkt me dat niet.
Op zich is het niet erg als een boek hier en daar of zelfs als geheel irritatie opwekt, vind ik. De irritatie van Van Bruggen betreft klaarblijkelijk de voorspelbaarheid van wat die ‘andere lading’ zou zijn, zoals hij schrijft: ‘de gruwelijkheden — we herkennen ze uit eerdere verslagen en verbeeldingen van de oorlog en die herkenning raakt ons’.
Dit lezen we in mijn boek:
Nu puft er ook vrijwel dagelijks een trein langs het perron, die met een dodelijk vermoeide zucht tot stilstand komt. Al maanden.
Met een andere lading.
Ik neem aan dat Van Bruggen ‘behoorlijk geïrriteerd’ raakt door de suggestie die er van deze zinnen uitgaat: eerst kwamen er treinen vol spullen en nu zijn het andere treinen, namelijk vol mensen. Dat zou een van de clichés kunnen zijn die iemand als Van Bruggen als ‘kitsch’ beschouwt, immers ‘we herkennen ze uit eerdere verslagen en verbeeldingen van de oorlog en die herkenning raakt ons’. Kortom: Natter vertelt hier niets nieuws, we weten dit allemaal al, we zien die trein met een andere lading van verre aankomen.
Is dat zo?
We kijken in deze scène over de schouder van Suzie, die werkt in het deel van het kamp waar oorspronkelijk de oorlogsbuit werd gesorteerd en die in mijn roman de informele naam ‘Beutegutlager’ draagt. Die ‘andere lading’ zou zoals gezegd dan kitscherig ‘mensen’ betekenen, maar de treinen met nieuwe slachtoffers stoppen helemaal niet in dat deel van het kamp, zoals ook blijkt als we verderop in het boek lezen:
Gisteren is dus vooralsnog de laatste goederentrein gekomen. Suzie had wagon nummer 5 toegewezen gekregen door de Lange. Ze klom naar binnen, de wrangzoete lucht van bederf en lijken kwam haar tegemoet. In de wagon had ze het gebruikelijke tafereel aangetroffen: bergen bebloede uniformen, petjes, mutsen, handschoenen, ratten die wegstoven. Hier en daar een ontbindende hand of een verrottend deel van een been.
‘Eruit! Alles moet eruit! Nu!’ riep de Lange.
Dat was dus gebeurd, gisteren. En vandaag staat ze in de loods die berg kleding te sorteren.
Is dit kitsch? Hadden we dit allemaal kunnen voorspellen? Het lijkt me dat kitsch probeert te ontroeren met overbekende beelden, maar hier gaat het nu juist om het ontregelen van de verwachtingen van de lezer, het is een bewust spel met de kitschclichés in het hoofd van een lezer als Martijn van Bruggen: je verwacht mensen, maar het blijken uniformen.
Ik kwam het schokkende verhaal over die treinen vol uniformen van gesneuvelde Duitse soldaten tegen tijdens mijn documentatie voor een boek over verzetsvrouw Sabine Zuur dat ik vertaalde en uitbreidde. Ik weet niet of het zo in het gedrukte boek van Eva Taylor-Tazelaar (Sabines oorlog) terecht is gekomen, maar dit staat in de kopij die ik eind oktober 2020 inleverde (en die in dit geval was gebaseerd op een interview dat Sabines kleindochter met haar hield):
Nadat Sabine dus een halfjaar onder betrekkelijk goede omstandigheden voor Siemens had gewerkt, werd ze overgeplaatst naar Instandsetzung 1, waar goederenwagons uit Rusland en Polen werden gelost, hier zou ze negen maanden werken. Er stonden langs de spoorlijn buiten het kamp twee enorme hallen. De laatste maanden bevatten de treinen ladingen smerige uniformen die van het front kwamen. De kleding moest worden schoongemaakt en gerepareerd en werd daarna teruggestuurd. Het ging vaak om loodzware leren overjassen, gevoerd met schapenvacht.

Ik durf te wedden dat van de duizenden mensen die mijn roman inmiddels lazen er nog geen honderd zijn die weten dat die treinen vol bebloede uniformen in concentratiekampen arriveerden om door gevangenen te worden gesorteerd, schoongemaakt en versteld voor hergebruik, zodat er weer verse Duitse soldaten in konden sneuvelen. Ik wist het in ieder geval niet, terwijl ik toch al honderden boeken over de nazi-terreur las. Ik kan me ook niet herinneren het ooit in een roman of een speelfilm te zijn tegengekomen. Is zo’n trein met een ‘andere lading’, namelijk smerige uniformen, dan een cliché of kitsch? Ik dacht het niet.

Ik schreef al elders dat ik speelfilms uit ‘Hitlers Hollywood’ heb gebruikt als inspiratie voor mijn roman. Die films zijn precies het soort kitsch waar Kundera het over heeft: een masker voor het ware gezicht van het nazisme. Doelbewust verplaats ik de zoetsappige verhaaltjes (denk aan Annemarie en Herbert in de keuken en hun filmkus) en kleine anekdotes die daarin worden verteld naar het decor dat juist door die films aan het oog onttrokken moest worden: het concentratiekamp. Bij mij zijn het niet de tranen van een verliefde vrouw die in een restaurant trouw wacht op een geliefde die onder de wapenen is geroepen, maar de tranen van een lid van het Sonderkommando dat de lichamen van vergaste vrouwen moet vernietigen:
Hij buigt zijn hoofd voorover en er klinkt een ingehouden snik. Vervolgens gaat hij rechtop staan en hij wrijft met de rug van zijn hand over zijn wangen.
In de podcast De twintigers vonden de drie lezers dit geloof ik ook kitsch, maar ze lazen niet de volgende zin van die passage voor, waarin we uit het sentiment in de gruwel terugkeren:
Tot slot grijpt de man een haak en daarmee sleept hij een lijk naar de deur van het crematorium.
Dat ik die tranen (al stromen ze niet eens letterlijk!) toon, zou je als kitsch kunnen ervaren, maar ze zijn dus onderdeel van een welbewust spel. Ik laat in deze passage inderdaad een menselijke emotie zien van een man die het allemaal even teveel wordt. Robert C. Solomon vraagt zich in zijn essay af:
Can art evoke any ordinary human emotions without being condemned as kitsch?
Als het gaat om mensen die in kunstwerken menen kitsch aan te treffen, spreekt Solomon over ‘attacks on the most common human sentiments’ en bedoelt hij, als ik het in mijn eigen woorden mag zeggen, dat lezers nu eenmaal moeten huilen als in een boek een kind sterft en dat het kwalificeren van zo’n scène als kitsch uit te leggen valt als angst voor volstrekt natuurlijke emoties die wordt gemaskeerd met zogenaamd goede smaak. Ik noem het: het dedain van literatuursnobs.

Pathos, sentimentaliteit en deze door Solomon van het epitheton ‘sweet’ voorziene ‘kitsch’ omarm ik inderdaad, zoals operacomponisten als Monteverdi, Cavalli, Handel, Mozart, Rossini, Verdi en Puccini (om er maar een paar te noemen) dat deden, zelfs Alban Berg ontkomt er in zijn Lulu niet aan.
Op een avond in de jaren tachtig was ik alleen thuis met mijn moeder. Mijn vader was voor zijn werk in Duitsland en mijn broer woonde al op zichzelf. Mijn moeder zei dat de film Kramer vs. Kramer op televisie kwam en stelde voor om die samen te bekijken. Ik zei (18 jaar oud): ‘Ik hoef die sentimentele Amerikaanse kitsch niet te zien.’
Voor de gezelligheid ging ik echter niet naar mijn kamer, maar bleef ik kijken. De film gaat over een scheiding en er zit een scène in waarin de vader (Dustin Hoffman), die alle foto’s van zijn vrouw uit het interieur heeft verwijderd, een door het kind verstopte foto van de moeder (Meryl Streep) vindt en het lijstje, terwijl dat kind ligt te slapen, stilletjes terugzet in de slaapkamer.

De stem van mijn moeder: ‘Ik hoor je slikken, Bert Natter. Zie je nou wel dat je het mooi vindt?’
Inderdaad stonden de tranen in mijn ogen, omdat ik diep was geraakt. Natuurlijk is die scène sentimenteel, noem het maar kitsch, maar die scène staat me na tientallen jaren nog helder voor de geest, want hij is ijzersterk. Hier hebben de scenarioschrijver en de regisseur alles uit een scène gepeurd wat erin zat en zijn ze niet bang geweest om emoties te laten zien en op te wekken bij de kijker. Dat lijkt me de opdracht van de schrijver, ook al levert die werkwijze in de ogen van sommigen kitsch op.

Ik geef toe dat mijn boek kitsch-elementen bezit in de uitwerking van emoties via pathos (vandaar ook de Beethoven-sonate, natuurlijk) en sentiment, terwijl het tegelijkertijd in zekere zin avant-garde is, dankzij de unieke vorm. Maar kitsch in de zin van nepkunst is mijn werk zeer zeker niet. Zo wordt het ook niet gepresenteerd: het omslag vermijdt, op mijn uitdrukkelijke verzoek (sterker nog: het is een foto uit mijn eigen collectie), de clichés van Holocaustkitsch: gestreepte kledij, wachttorens, poortgebouwen, treinrails, goederenwagons, wapens, prikkeldraad, SS-logo’s, Totenkopf-emblemen of de Schirmmutze van een officier; in de titel komt geen ‘Auschwitz’ voor; nergens staat ‘gebaseerd op een waargebeurd verhaal’.
Naschrift: En Martijn van Bruggen, hij ploegde voort
De column van Martijn van Bruggen is de moeite waard om nog even wat nader te bekijken, los van zijn opmerkingen over het kitscherige karakter van mijn roman. Hij heeft het namelijk over mijn intenties en als het daarover gaat ben ik natuurlijk de aangewezen persoon om daar iets over te zeggen:
De keuze om de lezer al heel vroeg te laten weten wat er is gebeurd met het jongetje Ernst en de belangrijkste personages dat vervolgens een ruime 400 pagina’s uit te laten zoeken vind ik een mispeer.
Een mispeer is iets wat iemand uit onwetendheid verkeerd doet. Dus ik heb blijkbaar niet zitten opletten in de vier jaar dat ik aan dit boek werkte. Gelukkig heb ik Martijn van Bruggen, die zich afvraagt:
Wat is er leuk aan om dat te lezen?
Als het gaat over mijn intenties dan is er een van dat dit boek vooral niet ‘leuk’ moest worden. In het algemeen zijn romans over concentratiekampen zelden leuk bedoeld. Ik sta mezelf slapstick en galgenhumor toe, dat wel, maar ‘leuk’ wordt mijn boek inderdaad niet en dat is precies de bedoeling.
Die hele zoektocht van Karl, Christine en Johanna interesseert me niet, hoe vaak ze ook met een kluitje in het riet worden gestuurd, omdat ik de waarheid al ken.
Ik neem aan dat hij Annemarie in plaats van Johanna bedoelt. De hele zoektocht interesseert hem niet, misschien was het beter geweest dan niet aan het boek te beginnen, want aan het eind van de summiere flaptekst op mijn boek wordt juist die zoektocht aangekondigd, daar gaat deze roman blijkbaar over.

Verder nog iets?
Zo bezien lijkt de lezer mag nooit meer weten dan de (hoofd)personages me een aardig beginsel voor spannende literatuur.
Ik zal niet ontkennen dat veel lezers het boek als spannend ervaren, maar mijn roman is geenszins bedoeld als ‘spannende literatuur’ in de zin van een detective of ‘literaire’ thriller. Dat staat ook nergens op of in dit boek. Ik ben geen liefhebber van het spannende genre, stilisten als bijvoorbeeld Deen en Chandler daargelaten, omdat het achterhouden van informatie mij niet interesseert. Dat is namelijk het diepst uitgesleten stijlmiddel dat ik ken, het lukt me zelden om van romans, films, thrillers, detectives en vooral series te genieten waarin de makers mij bepaalde kennis onthouden met als enige doel spanning te creëren. Dergelijke boeken, films en series berusten op overbekende trucs, schema’s en formules. Ik citeer Greenberg nog maar eens: ‘Kitsch is mechanical and operates by formulas’. Dat mijn boek niet voldoet aan het ‘aardig[e] beginsel’ van een spannend boek lijkt me nu juist het bewijs dat het niet kitscherig is in die zin van het woord.
Dus als het over mijn intenties gaat: het is overduidelijk niet mijn bedoeling om ‘spannende literatuur’ te schrijven door informatie mondjesmaat te onthullen. Dat je als lezer deelgenoot wordt van vrijwel alles wat er in een etmaal gebeurt, is de uitkomst van de keuze voor een bepaalde vorm. Ik had er een traditionele roman van kunnen maken, met een beproefde Hollywood- en Netflix-structuur van gedoseerde informatie en keurige hoofdstukken waarin Karl de enige is die we volgen en die langzaam wijzer wordt en dan drie bladzijden voor het einde samen met de lezer eindelijk begrijpt wat er is gebeurd, maar dat was dus niet mijn intentie, zoals ook duidelijk wordt als je het boek leest, zelfs als je het pas uit hebt ‘na een kleine anderhalve maand doorploegen’, zoals Martijn van Bruggen opmerkt, alsof het mijn schuld is dat hij zo langzaam leest. Solomon schreef, zoals ik ook al opmerkte: ‘Kitsch pretends to demand nothing of its customers’, dat geldt dan toch niet voor mijn ‘kitscherige boek’, dat voor sommige lezers nogal lastig te verstouwen is.
Ik heb natuurlijk met Martijn van Bruggen te doen, hij voelde zich immers verplicht een boek dat hem duidelijk niet bevalt helemaal uit te lezen, het onderwerp stond hem niet aan, het werd niet ‘leuk’ en niet ‘spannend’, hij kwam er niet doorheen, hij ergerde zich slechts. Het siert hem dat hij voor zijn mening gaf wel de moeite nam om het einde te halen. Dat wilde hij zelf: ‘Boeken moet ik namelijk van de eerste tot de laatste pagina lezen, ook als ze me niet bevallen.’ Voor mij had het niet gehoeven. Smijt mijn boek gewoon in een hoek als je er aan het eind van de flaptekst al geen zin meer in hebt. En schrijf dat desnoods op in je column.
