Voor ik op het idee voor Aan het einde van de oorlog kwam, werkte ik aan een roman die zich in Breda afspeelt, voor, tijdens en vooral na de Tweede Wereldoorlog. Een bioscoop speelt er een belangrijke rol in en de films die ik daarvoor bekeek, hadden invloed op de roman die ik daarna zou schrijven. Ik noemde dat al eerder. Daarom hieronder, voor de geïnteresseerde lezer, een deel van een hoofdstuk uit die roman. Dit fragment is overigens ongeredigeerd, dus de samenvatting van de speelfilms Wunschkonzert en Ergens in Nederland is nogal uitgebreid, waarschijnlijk hadden die de snijtafel sowieso niet overleefd, als ik die roman ooit had voltooid. Als het over ‘mijn vader’ en ‘mijn tantes’ gaat, dan is dus de familie van de verteller bedoeld.

Nog geen halfjaar nadat mijn vader operateur was geworden maakte de bezetter bekend dat Joden voortaan geen bioscopen mochten bezoeken — de meeste bioscopen hadden een week eerder al uit vrije wil de bioscoop verboden terrein voor Joden gemaakt. Dat gebeurde ook in Cinéma Grand Théâtre en het leidde tot een conflict tussen de tantes aan de ene kant en mijn grootmoeder en mijn vader aan de andere kant.
Mijn vader overwoog ontslag te nemen, maar dan had hij dus niets meer. Dus op de dag waarop het officiële verbod inging, vertoonde mijn vader vooral als protest tegen zijn tantes, in plaats van de door de Duitse propagandamachine geproduceerde slappe romantische komedie Wunschkonzert de meteen na de Duitse inval verboden slappe romantische komedie Ergens in Nederland — waarvan de kopie door zijn moeder op zolder werd bewaard.
Wunschkonzert was een van de twee grootste blockbusters (in de overdrachtelijke zin) in het Derde Rijk. In de vijf jaar die de oorlog duurde keken meer dan 26 miljoen mensen naar het nazi-ideaal van door vaderlandstrouw verbonden mensen, want naast een suikerzoet liefdesverhaal en soms kluchtige episodes met liedjes en optredens, volgen we allerlei personages, die met elkaar een dwarsdoorsnede van de Duitse Volksgemeinschaft moeten vormen: van eenvoudige middenstanders tot een schoolmeester en een musicus in spe, van verliefde jongelingen tot ouden van dagen. De boodschap is: we zijn allemaal familie van elkaar, wij Duitsers en om onze Duitsheid te beschermen gaan we in de aanval. Het tijdschrift Filmwelt schuimbekte na de eerste vertoningen geestdriftig: ‘Hier schwingt den Gleichklang der Herzen, der Front und der Heimat, des ganzen Volkes.’
Mijn vader projecteerde Wunschkonzert talloze malen onder de Nederlandse titel Stem uit den Aether (‘Een sterke speelfilm, met ’n lach en ’n traan, knap gevarieerd en pakkend van den eerste tot den laatsten meter,’ adverteerden de tantes in De Bredasche Courant) en kende alle stomme liedjes uit zijn hoofd, soms liep hij na afloop van de voorstelling naar buiten om op het Van Coothplein een sigaretje op te steken (in de projectiekamer was rooken ten strengste verboden vanwege de licht-ontvlambare nitraatfilms) en floot hij de melodie van het in de film door de lollige meeloper Weiß Ferdl gezongen ‘Bin ich froh, ich bin kein Intellektueller’ en mompelde hij melodisch voor zich uit: ‘Ein bischen dumm sein hat sich oft bewert.’
Dr. Goebbels was de geestelijk vader van de film en werkte mee (hij was immers een gefnuikt romanschrijver) aan het scenario en de dialogen. Een dag na de première in het UfA-Palast am Zoo, op 30 december 1940, schreef hij voldaan in zijn dagboek: ‘Das haben wir wieder mal gut gemacht.’
De inderdaad onder regie van Eduard von Borsody goed gemaakte nazi-romcom gaat over de levens van een aantal ‘gewone’ Duitsers (onder wie een slager en een bakker en hun families), wier avonturen in de montage van Elisabeth Neumann afgewisseld worden met documentairebeelden (onder meer uit Olympia van Leni Riefenstahl) en fragmenten uit bioscoopjournaals (van bijvoorbeeld de inval in Polen) naast musical-achtige optredens van in de werkelijkheid bekende zangers.
Carl Raddatz vertolkt de mannelijke hoofdrol. Hij speelt Herbert Koch, een Duitse officier van de luchtmacht, die tijdens de Olympische Spelen van Berlijn in 1936 verliefd wordt op Inge Wagner, die de hoofdstad voor het eerst van haar leven bezoekt. Zij wordt gespeeld door de half-Nederlandse, op Java geboren Ilse Werner, die op dat moment negentien jaar oud was. Deze film zou haar beroemd maken en haar rollen opleveren in talloze tijdens de oorlog gedraaide films.
Herbert en Ilse kennen elkaar nog geen drie dagen en hebben al trouwplannen. Het prille geluk van het verliefde stel (uit eten, eindeloos praten, een romantisch zeiltochtje op de Wannsee) wordt echter verstoord als Herbert op een geheime missie wordt gezonden (naar de Spaanse Burgeroorlog, als onderdeel van Legion Condor). Hij mag zelfs Inge niet vertellen waar hij heen gaat. Inge is radeloos, het laatste wat ze tegen Herbert heeft gezegd, nadat ze hem heeft gesmeekt haar te schrijven, is: Herbert, vergeet me niet. Prachtige tranen stromen over haar blanke wangen.
In de volgende scène krijgt Herbert instructie: in geen geval mag de missie in gevaar worden gebracht en dat betekent dat het ten strengste verboden is brieven naar het thuisfront te sturen. Carl Raddatz, de acteur die Herbert speelt, doet duidelijk zijn best door middel van zijn mimiek aan het zwijmelende bioscooppubliek duidelijk te maken met welk dilemma hij worstelt, hij moet kiezen tussen plicht en het vaderland aan de ene kant en liefde en geluk aan de andere kant.
Natuurlijk gaat hij geen brieven aan Inge zitten schrijven. Daar heeft hij helemaal geen tijd voor, hij heeft beredruk met de Spaanse Burgeroorlog, die amper een minuut duurt in de film. En dan springen we alsof het niks is drie jaar verder in de tijd: naar 6 september 1939, zoals een tussentitel aangeeft en gaan we van Spanje naar Polen. Weer beelden van gevechtsvliegtuigen, bombardementen, vurende kanonnen, zonder dat ooit echt duidelijk wordt waar de Duitsers vechten, tegen wie en vooral: waarom?
De plicht blijft Herbert roepen, dat is duidelijk. In zijn nieuwe hogere rang leert hij een jongere ondergeschikte kennen, ene Helmut die dankzij knappe stuurmanskunst een ongeluk met zijn kist heeft weten te voorkomen. Helmut is toevallig een jeugdliefde is van Inge, of beter: hij is al tijden heimelijk verliefd op haar, maar zij niet op hem. Herbert en Helmut sluiten vriendschap, ondanks hun verschil in rang en leeftijd.
Een van de aardigste scènes speelt zich af in een appartementencomplex waar meerdere gezinnen wonen. Duitsland heeft inmiddels ook Frankrijk aangevallen. De voornaamloze muziekstudent Schwarzkopf is met de andere mannen in het gebouw onder de wapenen worden geroepen en staat op het punt naar het front te gaan. Op een zolderkamertje speelt hij voor zijn handwerkende oude moedertje op een wormstekige Hamburgse piano het middendeel van de Pathétique-sonate van Beethoven. Bovenop de piano staat pontificaal een fikse buste van de componist, maar toch zegt Schwarzkopf als een van de andere gemobiliseerde soldaten, de achternaamloze Friedrich, een leraar wiens vrouw zwanger is, de kamer binnenstormt om zijn vriend te halen: ‘Beethoven.’ Overal in huis dringen de klanken van het adagio cantabile door en mensen stoppen met wat ze aan het doen waren om te gaan kijken waar die wonderschone klanken toch vandaan komen en elke keer als iemand de weg naar de zolderkamer heeft gevonden en de deur opengooit, zegt een van de aanwezigen, wijzend op Schwarzkopf aan het klavier: ‘Ssst, Beethoven.’ Vol ontzag luistert iedereen naar de nationale held. De scheppingskracht van Beethoven in dienst van de moordzucht van de nazi’s, het blijft boeien.
Muziek speelt ook een rol in de hereniging van de jonge geliefden. Het contact tussen Herbert en Inge wordt namelijk hersteld dankzij een aflevering van het ook in werkelijkheid bestaande, en eveneens door dr. Goebbels bedachte radioprogramma Wünschkonzert für die Wehrmacht, een soort Muzikale Fruitmand voor oorlogsmisdadigers. Vanuit een grote studio in het Haus der Rundfunk aan de Berlijnse Masurenallee werd op zondagavond een show met publiek uitgezonden waar op verzoek van soldaten of juist de familie thuis ‘verzoekplaatjes’ werden gespeeld door orkesten en zangers. Goebbels was zich van meet af aan bewust van de kracht van de radio als massamedium, niet voor niets brachten de nazi’s een voor iedereen betaalbare radio, de Volksempfänger op de markt. De propagandaminister verordonneerde bovendien dat de in vrijwel het hele land goed beluisterde uitzendingen nooit ‘langweilig’ mochten worden, door bijvoorbeeld avond aan avond het getetter van marsen laten horen. Daarmee bewees je het Derde Rijk geen dienst, mensen mogen zich niet gaan ergeren, want dan begrijpen ze waar je mee bezig bent, nee, je moet de boodschap verstoppen in vermaak, en brengen op een moderne, eigentijdse en boeiende manier, nooit belerend, altijd op een prettige manier.
Het Wunschkonzert für die Wehrmacht was de uitkomst van die mentaliteit: het gevarieerde programma schuwde platte humor niet, liet sprekers aan het woord met herkenbare dialecten uit heel het Duitstalige spectrum, besteedde aandacht aan de hoge cultuur door de ouverture van Mozarts La Nozze de Figaro te laten spelen en ging zelfs de ellende van de oorlog tot op zekere hoogte niet uit de weg door aandacht te vragen voor de gevallenen. In de film vraagt Herbert de Olympia Fanfare aan en als Inge die hoort, weet ze dat haar grote liefde haar niet is vergeten.
Herbert vertelt erover als hij met Helmut aan het strand ligt tijdens een kort verlof, maar zonder dat hij de naam van Inge noemt. Dat hij haar niet mocht schrijven toen hij in Spanje was gelegerd en de brieven die hij later schreef onbestelbaar retour kwamen: adres onbekend. Maar na de uitzending van het Wunschkonzert had ze zijn verzoekje gehoord en hem gevonden en komende zondag hebben ze afgesproken in Hamburg!
Maar helaas, opnieuw gooit het noodlot roet in het eten. Net voor de geliefden van weleer zullen worden herenigd, roept de plicht: Herbert en Helmut worden op verkenningsmissie boven zee gestuurd uitgerekend nadat ze de vijandelijke vloot hebben gelokaliseerd, wordt hun vliegtuig neergehaald door die lafhartige geallieerden. Helmut is gewond en Herbert neemt het stuur over, maar zelfs hij kan met zijn wilskrachtige kin niet voorkomen dat de kist neerstort in zee. Gelukkig blijft de vliegmachine drijven en slagen Herbert en de andere bemanningsleden Helmut via de vleugel in veiligheid te brengen in een opblaasboot. Herbert denkt er zelfs nog aan de papieren van Helmut uit de cockpit te halen en daarbij valt er een foto in het water, die hij nog net weet te redden: Inge. Je ziet Herbert denken: Donnerwetter! Helmut mit Inge? Maar tijd om hier lang bij stil te staan heeft de held niet, want daar kondigt zich de redding reeds aan: een U-boot die stomtoevallig in de buurt was. En al die tijd zit Inge in Hamburg maar aan een leeg tafeltje te hongeren, opgedoft en in haar mooiste kleren. De ober krijgt medelijden en geeft haar vast een bord soep, dat hij aan tafel inschenkt.
Inges gewonde jeugdvriend belandt in het ziekenhuis in Hamburg en daar vindt in 1940 de hereniging plaats tussen het koppel dat elkaar bij de Olympische Spelen van 1936 leerde kennen. De liefde overwint alles, maar moet soms even wijken voor de oorlog en waar zouden de soldaten zijn zonder het trouwe thuisfront dat voedselpakketten opstuurt en de traditionele Germaanse levenswijze in ere houdt en lekkere worsten draait en na een lange dag werken bij de koude kachel zit te wachten op bericht van verloren zonen en zich warmt aan de door dr. Goebbels verzonnen radioprogramma’s?
De muziekstudent Schwarzkopf gaat als held ten onder. Zijn dood wordt al aangekondigd als de eenheid waartoe hij behoort aan de frontlinie een kerk nadert en een levensgroot kruisbeeld met een stervende Jezus in beeld wordt gebracht. Schwarzkopf krijgt met de leraar opdracht bij de kerk de wacht te houden tot de rest van de patrouille van een verkenningstocht is teruggekeerd. Het koppel gaat de kerk in en volgt uit een raam op het orgelbalkon de verrichtingen van de kameraden, die door opkomende mist en kruitdampen verdwalen. Schwarzkopf en Friedrich hebben geen lichtkogels of andere middelen om te zorgen dat de patrouille de weg naar de kerk terug weet te vinden, de spits van de toren, die een oriëntatiepunt was, is in het donker van de nacht en het wit van de mist verdwenen. Dan krijgt Schwarzkopf een idee: hij gaat achter de speeltafel van het orgel zitten en geeft zijn kameraad opdracht lucht in de balg te trappen. Schwarzkopf preludeert er lustig op los en slaat een brug tussen Bach en de Olympia Fanfare. Het geluid van het orgel dringt door tot de verdwaalde soldaten en ze vinden de weg terug, maar ondertussen is de vijand begonnen de kerk te beschieten. Ontploffingen klinken, het dak vat vlam, brandende balken storten neer rond de dapper door spelende Schwarzkopf en uiteindelijk bezwijkt hij als iedereen veilig is, zijn dode vingers op de toetsen.
Friedrich overleeft het inferno in de kerk en hoort via de radiouitzending van Wunschkonzert dat hij vader is geworden. Een kinderkoor zingt een slaapliedje en Duitsland ligt in zwijm aan de radio gekluisterd. De moeder van Schwarzkopf vraagt het lievelingslied van haar dode zoon aan, Gute Nacht, Mutter, dat gevoelvol en met net niet teveel pathos wordt vertolkt door de populaire operabas Wilhelm Strienz. De camera gaat op bezoek op de zolderkamer waar we Schwarzkopf Beethoven zagen spelen: de buste van de componist staat niet langer op de piano, maar op een kastje, met de radio ernaast, de bladmuziek is opengeslagen, de klep van de piano open, alsof Schwarzkopf elk moment terug kan keren om eindelijk eens dat slotdeel van de Pathétique te spelen, een ingelijste foto van de lachende Schwarzkopf naast een vaasje met verlepte bloemen, de moeder aan de tafel voor het raam, met voor haar op tafel wat spulletjes, zo te zien aandenkens aan haar zoon: het horloge dat hij droeg toen hij sneuvelde. Ze kijkt uit het raam, verdrietig, maar niet gebroken.
Het beeld gaat even op zwart voor de laatste scène van de hoofdrolspelers: Herbert die in het lazaret Helmut op zijn ziekbed bezoekt en Ilse die tevoorschijn komt en dan worden na wat komische regels alle misverstanden uit de wereld geholpen en weten we dat Helmut weliswaar een lange zoen van Ilse op zijn mond krijgt, maar dat Herbert haar ware liefde is. Hij wacht tot Ilse afscheid heeft genomen en zet de radio op het nachtkastje van Helmut wat harder voor het slotnummer van de show (en de film): het publiek zingt uit volle borst het in de Eerste Wereldoorlog al populaire ‘Engelandlied’ doorsneden met beelden van de de Duitse oorlogsmachine:
Gib mir deine Hand,
een torpedojager doorklieft de golven
Deine weiße Hand,
drie Stuka’s stijgen op
Leb’ wohl, mein Schatz,
de lucht ziet zwart van de bommenwerpers
Leb’ wohl mein Schatz,
een Schwerer Gustav of een ander enorm kanon wordt afgeschoten
Leb’ wohl,
tientallen boordkanonnen van oorlogsbodems worden afgevuurd
Lebe wohl
torpedo’s worden te water gelaten
Denn wir fahren,
torpedo’s treffen doel
Denn wir fahren,
ontploffingen, opspattend zeewater in de verte
Und wir fahren
een U-boot komt boven water
Gegen Engeland,
oorlogsschepen oorlogsschepen oorlogsschepen
Engeland!
oorlog oorlog oorlog oorlog oorlog oorlog oorlog
Ahoi!
hakenkruisvlag van de Kriegsmarine
wapperend op de achterplecht van een schip
Ende
De film was geschikt voor alle leeftijden, maar na de oorlog verboden de Amerikanen de vertoning ervan in Duitsland. Pas tientallen jaren later werd de film alsnog weer vrijgegeven, aanvankelijk nog verknipt (zonder de uitsmijter en de archiefbeelden van Hitler), maar uiteindelijk in zijn geheel, zij het met een leeftijdsgrens, eerst van 16 en later van 18 jaar, vanwege het propagandistische karakter.
Zoals Hollywood de Amerikaanse droom verspreidde, zo verhulden de filmstudio’s in Berlijn de Duitse nachtmerrie.

Ergens in Nederland ging een maand voor de Duitse inval in première, op 12 april 1940. Regisseur Ludwig Berger vertelde dat hij op 10 mei 1940 op het punt stond naar Antwerpen te reizen voor de Vlaamse première toen de oorlog uitbrak. De film werd direct verboden door de bezetter en werd pas na 1945 weer vertoond. Toen de Duitsers ontdekten dat er een poging was gedaan een kopie van de film naar Nederlands-Indië te sturen, werden alle kopieën opgespoord en vernietigd.
Alle kopieën?
Nee, dus. Mijn grootmoeder bewaarde een exemplaar en die kopie zou mijn familie fataal worden.
Eerst de film, die duidelijk op een fractie van het budget van Wunschkonzert is gedraaid: op enkele fraaie beelden van oorlogsschepen van de Koninklijke Marine na is alles duidelijk in de Cinetone Studio’s in Amsterdam geschoten: Haarlem, Den Helder, Vlissingen, alles ziet er even donker en non-descript uit. Dat past wel weer bij de titel, natuurlijk. Een schip in de haven wordt alleen ’s avonds in beeld gebracht, maar desondanks zie je een zwart decorstuk met ronde gaatjes erin die patrijspoorten voorstellen en een wankel loopplankje dat naar de zogenaamde kade leidt. Scènes op zee worden in het donker opgenomen, zonder dat je iets van de omgeving ziet: geen horizon, geen lucht, alleen het zwarte water en de mannen die bezig zijn een mijn onschadelijk te maken.
Vergeleken bij de Hollywood-allure van de Duitse film is dit meer een toneelstuk dat wordt gefilmd, met als aanstekelijke hoofdrolspeler Jan de Hartog (nog maar 25 jaar oud en nog geen boek gepubliceerd, Hollands Glorie kwam een halfjaar later uit) en zijn tegenspeelster Lily Bouwmeester (38 jaar oud) als stralende middelpunten. Het gebrek aan financiële middelen om minder bordkarton in te zetten bij de constructie van de sets en meer shots buiten de poorten van de studio te maken wordt ruimschoots vergoed door het spel van deze twee en een paar andere acteurs en vooral ook door iets wat geen geld hoeft te kosten en waaraan het desondanks in veel moderne films van vaderlandse bodem nog weleens schort: goede dialogen, in dit geval mede door Jan de Hartog geschreven.
Regisseur Berger schreef in zijn autobiografie over zijn ontmoeting met de protagonist van zijn film:
Ich war allein, als er eintrat, doch auf einmal schien das große Zimmer gefüllt; Theologensohn und Seeräuber, ein Fertiger und dennoch ahnungslos, Pirat und Künstler, Dichter und Reporter. Diese Verbindung von Salzwasser und Bibel findet man nur in Holland.
Ik dacht toen mijn moeder me over deze films vertelde met twee romantische draken te maken te hebben, maar ze vielen allebei heel erg mee, ook Ergens in Nederland. Deze film draait om een Haarlemse advocaat die uit een schippersfamilie stamt en tijdens de mobilisatie als reservist wordt opgeroepen zich in Den Helder bij de marine te melden. Op kantoor leren we Frans van Loon aanvankelijk kennen als een heetgebakerd en tegelijk gedeprimeerd warhoofd, maar zodra hij zijn matrozenpak aan heeft, kalmeert hij — de zee lijkt hem door het bloed te stromen. De man die op kantoor er nog geen minuut in slaagde stil op zijn stoel te blijven zitten, meldt zich algauw aan als vrijwilliger bij het minst begeerde baantje: het demonteren van mijnen op volle zee, een nauwgezette klus die stalen zenuwen en een vaste hand vraagt. Klein detail: hij licht zijn echtgenoot Nellie niet in over de levensgevaarlijke missies.
Nellie, gespeeld door Lily Bouwmeester, is de jeugdliefde van Frans, hij vertelt dat hij in de schoolbanken haar vlechten al in de inktpot stopte. Frans blijkt zijn vroegere ambitie zeeman te worden omwille van haar te hebben opgegeven. Hij heeft zich in de schulden gestoken om een eigen advocatenpraktijk te beginnen, in een prachtig pand, waarin Nellie en hij op stand wonen. Als de film begint heeft het echtpaar onenigheid over een foto van haar, ze is een aantrekkelijke vrouw, die de plaatselijke fotograaf heeft uitvergroot en in zijn etalage heeft staan. Gedurende de film lijkt het of iedere man bij de eerste aanblik van Nellie wordt betoverd, terwijl Frans haar niet serieus lijkt te nemen. Als Nellie bij de fotograaf gaat zeggen dat die haar foto maar beter uit de etalage kan halen, is daar net de acteur Erik Detmar, die naar haar heeft gevraagd.
Frans reist af naar Den Helder, waar ook deze Detmar is, die bezig blijkt het Marine-toneel gestalte te geven. Maar Detmar heeft nog een ander plan: de mooie Nellie verleiden. Hij komt daar een heel eind mee, Nel staat zelfs op het punt Frans midden in de nacht te verlaten, als ze tijdens zijn verlof een nachtje in een hotel in Vlissingen logeren.
Hun ruzie is heerlijk; vooral ook omdat Nellie zich hier ontpopt tot een moderne vrouw die haar eigen weg wil gaan, en niet braaf zoals Inge in Wunschkonzert op haar geliefde blijft wachten tot hij eindelijk eens tijd voor haar heeft.
Frans begint als Nellie op het punt staat hem te verlaten over ‘de gewatteerde Romeo’ over wie zij zegt: ‘Hij heeft me nodig, Frans, jij niet.’ Frans schreeuwt dat ze niet moet vergeten dat ze met hem getrouwd is, dat is ‘een vaststaand feit.’
‘Ik geloof dat dat de oorzaak van… van alles is, Frans. Dat je me nooit anders dan als een vaststaand feit hebt beschouwd.’
‘Beklaag je je soms? Heb je je ooit van je leven te beklagen gehad? Heb je niet altijd alles gekregen wat je nodig had? Scháááám je je niet om je je in een tijd als deze, waarin miljoenen mensen liggen te verrekken in de… de… de kou en in de narigheid, met dergelijke zorgen aan boord te komen?’
‘Nee, Frans, het is niet mijn zaak me te schamen. Al geef ik graag toe dat ik altijd alles gekregen heb wat een huisdier nodig heeft.’
‘Nah, wat klets je dan?’
‘Maar wat ik nodig heb, ik… een mens die zich een beetje om me bekommert, die zich iets aan me gelegen laat liggen. En me niet als een vaststand feit beschouwt. Die heb ik nooit gehad.
‘Als jullie je maar aan een woord vast kunnen klampen.’
‘Jullie?’
‘Jullie vrouwen!’
‘Ik had bijna leren vergeten… dat ik een vrouw was.’
‘Wat? Is dat mogelijk, Nel? Heb jij vergeten hoe gek ik op je ben?’
‘Ja, Frans. Dat heb ik werkelijk vergeten. Jij hebt het namelijk ook vergeten.’
‘Omdat ik tot ’s nachts één uur aan toe heb zitten zwoegen, geploeterd, om dat krankzinnige reuzenhuis te bekostigen.’
Dat komt nooit meer goed, denk je als Nellie zich uit de greep van haar man heeft geworsteld en zonder jas de kamer uit vlucht.
Ik verklap niets als ik vertel dat het allemaal goed komt, dat Frans een heldendaad verricht, Nellie weer voor hem valt en Detmar met lege handen staat. Frans heeft toen hij zijn leven waagde door scherpe zeemijnen te ontmantelen altijd aan haar gedacht, blijkt ook uit een dagboekje dat hij bijhield dat Nellie bij toeval onder ogen krijgt:
‘Toch wil ik dat je één ding weet, voor het geval het mocht gebeuren dat ik eens niet meer bij je zal zijn. Ik heb met volle liefde en volle overtuiging mijn leven op het spel gezet om jou te helpen je eigen kleine wereld gaaf te bewaren, onze kleine wereld van voor den oorlog, vreemd aan alle gevaren en bitterheden van deze tijd.’
Tot slot klinkt een triomfantelijke variatie op het Wilhelmus terwijl Frans Nellie zijn matrozenpet van de Koninklijke Marine opzet. Eerder al horen we tot tweemaal toe ‘Merk toch hoe sterk’, maar de teneur van deze film is totaal anders dan die van de Duitse tegenhanger, want in het Teutoonse epos zijn het vaderland en de strijd de bindende factoren, alles lijkt stand te houden dankzij de oorlog. In de Hollandse tragikomedie vormt de dreigende oorlog juist eerder de splijtzwam en uiteindelijk houdt de liefde stand ondanks de mobilisatie en het gevaar.
De Nederlandse film is veel minder gelikt dan de Duitse, grappiger ook en doorvoelder, al zitten er soms knullige scènes in, is de montage soms houterig en de plot om te janken, zoals gezegd: de goeie acteurs en de scherpe dialogen maken de film nog altijd de moeite waard en zonder nare bijsmaak.
De Duitse bezetter verbood deze ‘terroristische’ film dus en probeerde de kopieën zelfs te vernietigen. Mijn grootmoeder besloot de kopie van de film niet in te leveren en bewaarde hem in blikken met een andere titel erop (Breda in betere tijden), omdat ze dacht dat de oorlog snel voorbij zou zijn en ze dan meteen een mooie publiekstrekker zou hebben om de bevrijding te vieren.
Mijn vader liet vervolgens in plaats van de voorgeschreven nazi-film een verboden Nederlandse film zien, als stil protest tegen de jodenvervolging en het enthousiasme van zijn tantes over de vrijheidsbeperkende maatregelen tegen deze medeburgers. Natuurlijk zat er een NSB’er in de zaal, die ervoor zorgde dat, nog voor de eerste filmrol was vertoond, de WA kwam knokken. Ik geloof dat er ook nog politie kwam, maar in ieder geval stuurden de Duitsers ook wat types van de SD. Alle aanwezigen werden gearresteerd, mijn vader, mijn oudtantes en mijn grootmoeder werden verhoord. De bezoekers mochten al snel naar huis. Mijn vader werd met zijn familie gevangengezet in de Chassé-kazerne.
De tantes en mijn grootmoeder konden na drie dagen naar huis. De bioscoop bleef open, ze namen een nieuwe operateur aan die in oktober van dat jaar gewoon De eeuwige Jood vertoonde. De tantes namen het gedrag van de zoon van hun schoonzus zo kwalijk dat ze haar uit het appartement boven de bioscoop zetten. Mijn grootmoeder vertrok naar Amsterdam en wist op de een of andere manier de film mee te nemen. Het verbaast me zeer dat geen van de landverraders of nazi’s blijkbaar over de tegenwoordigheid van geest beschikte de blikken in beslag te nemen. Ze moet de film in de hoofdstad in bewaring hebben gegeven, maar misschien ook heeft ze hem tegen voedsel geruild, dat zullen we nooit weten. Ze stierf in de hongerwinter van uitputting. Een onverstandige verhuizing, want als ze gewoon in Breda was gebleven, had ze in ieder geval een grotere kans op overleven gehad, aangezien die stad al in oktober 1944 werd bevrijd.
Mijn oudtantes kwamen in dezelfde winter kort voor kerst om toen een Engelse bommenwerper in nood zijn bommen loste boven de Balfortbrug. Ik denk dat ze op weg naar huis waren, want ze woonden aan de Julianalaan, toen officieel op last van de bezetter Westerlaan genoemd.
Dit heb ik allemaal een beetje weten te reconstrueren aan de hand van de flarden die mijn moeder vertelde, wat archiefdozen met knipsels die ik in de serre heb gevonden, een paar boeken over Breda in de oorlog en het internet.
De kopie die mijn vader zijn vrijheid koste dook uiteindelijk na de bevrijding op in Amsterdam en het bleek het enige exemplaar van de film te zijn dat de oorlog had overleefd.
Mijn vader zou de rest van de oorlog niet meer vrij komen. Van Breda ging hij naar Den Bosch, van Den Bosch naar het Oranjehotel in Scheveningen en van Scheveningen via het Wolvenplein Utrecht naar Vught en van Vught naar Kamp Amersfoort. Na de bevrijding van het kamp liep hij van Amersfoort terug naar Breda, terwijl de film in Amsterdam alweer werd vertoond.
