
Gisteren, donderdag 29 oktober 2026, vond in De Balie te Amsterdam een debat plaats in de reeks Publieke Intellectuelen over Victor Klemperer. Onder leiding van Veronica Baas spraken Yolande Jansen, Marc van Oostendorp en ik over de schrijver van LTI en de taal van het Derde Rijk. Ik las ook een ingekorte (en tegelijkertijd iets uitgebreide) versie voor van een essay dat twee weken geleden verscheen in De Groene Amsterdammer. Anne Margot van der Baan verzorgde een intermezzo over haar podcast Brieven aan Max Blokzijl, de stem van collaborerend Nederland. Het was een boeiende avond, geloof ik, die hieronder terug te zien is.
Acht jaar geleden schreef ik over Blokzijl in een vooralsnog ongepubliceerd manuscript van een essayistische roman over de Drie van Breda (opmerkelijk genoeg zie ik nu dat het motto van Aan het einde van de oorlog erin voorkomt):
In 1860 werden in ons land de drie laatste doodstraffen voltrokken, in Leeuwarden, Gouda en Maastricht. Dat wil zeggen: tot zesentachtig jaar later, want toen stond Max Blokzijl, de stem van collaborerend Nederland voor het vuurpeloton. Volgens Harry Paape (de opvolger van Loe de Jong als directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie) werd er tijdens de oorlog bewonderend over Blokzijl gesproken als ‘de Nederlandse Joseph Goebbels’:
Hij begon, op instigatie van de toenmalige directeur van de AVRO, Willem Vogt, met een aantal wekelijkse lezingen onder de titel Ik was er zelf bij, in hoofdzaak gewijd aan de zegeningen die het Hitlerdom sedert 1933 Duitsland gebracht had. Na afloop daarvan was hij jarenlang tweemaal per week via de radio te beÂluisteren met een Politiek Weekpraatje en een causerie onder de tiÂtel Brandende Kwesties. In de laatste maanden van de bezetting richtte hij zich zelfs dagelijks tot het radiopubliek.
Op 6 mei 1945 hield hij zijn laatste toespraak voor de radio en drie dagen later werd hij gearresteerd. Het proces dat al op 11 september 1945 in het kader van de Bijzondere Rechtspleging tegen hem werd gevoerd, duurde volgens Paape nauwelijks een halve dag. Blokzijl werd ten laste gelegd ‘dat hij tussen mei 1940 en mei 1945 opzettelijk, terwijl Nederland in oorlog was met Duitsland, in het door de vijand bezette Nederlandse gebied in het openbaar, voor een zeer groot gedeelte per radio veelvuldig propaganda heeft gevoerd, gericht op het breken van het geestelijk verzet van het Nederlandse volk tegen de vijand en ontrouw worden van dat volk aan zijn regering en de gemeenschappelijke geallieerde zaak’.
Als bewijsvoering werden dertien citaten voorgelezen uit radiopraatjes van Blokzijl die getuigen van oprecht nationaalsocialisme en blijk geven van anti-kapitalisme, anti-bolsjewisme en antisemitisme (‘rijke joden zonder vaderland’) en die vooral de spot drijven met de Nederlandse regering in ballingschap (‘emigrantencomité’). De teksten zijn duidelijk bedoeld om verzet tegen de nazi’s te ontmoedigen, maar ze roepen bijvoorbeeld niet op tot haat en geweld. Het is geen prettige lectuur, maar vergeleken bij wat er nog meer gezegd en gedaan is uit naam van het nationaalsocialisme, oogt deze bloemlezing uit het gesproken oeuvre van Blokzijl toch betrekkelijk onschuldig, waarbij aangetekend dient te worden dan zijn virulente antisemitisme nauwelijks naar voren lijkt te komen uit die in de rechtszaal geciteerde voor zijn doen gematigde uitspraken — maar dit zijn wel de uitspraken die hem ten laste werden gelegd en waarop hij ter dood werd veroordeeld.
Blokzijl zei in antwoord op een vraag over de concentratiekampen: ‘Ik ben overtuigd dat ook gruwelen daar waar bewaking bijvoorbeeld door sadisten geÂschiedde, dat dergelijke gruwelen wel hebben plaatsgehad. Ik geÂloof dat, als we de gehele geschiedenis van de mensheid doorgaan, altijd in tijden van grote revolutionaire ontwikkelingen dergelijke misstanden zijn voorgekomen. De vraag was alleen: moet je al je ideeën, al je hoop op de toekomst opgeven alleen omdat er plaatselijk hier en daar misstanden zijn die wij op zichzelf niet willen ontkennen?’
Zijn idee dat het geweld in de concentratiekampen een soort van verklaarbare bijkomende schade was van een revolutionaire beweging die op zichzelf genomen goed was, staat in contrast met de meer algemene opinie dat de concentratiekampen de logische uitkomst van het fascisme zijn. De concentratiekampoverlevende Anise Postel-Vinay keert die stelling in een documentaire over Ravensbrück van Lorette Walz zelfs om: ‘Wij werden in het diepste binnenste van de misdaden gestort. Toen al zei ik: we bevinden ons hier in de oorsprong van het nationaalsocialisme. Dat was het. Het nationaalsocialisme kwam hier vandaan. Dit was de bron van het nationaalsocialisme.’
Blokzijl zag het vooral als spaanders die vallen waar gehakt wordt. Desondanks zou ik zeggen: Blokzijl was een landverrader, iemand die aan de verkeerde kant stond, een opportunist, een verderfelijke jodenhater, maar uiteindelijk was wat hij zei feitelijk bedoeld als preken voor eigen parochie, want ik geloof niet dat er veel niet-NSB’ers naar zijn toespraken luisterden, of zelfs maar konden luisteren, nadat ze hun radio hadden moeten inleveren.
Dat vond de rechtbank niet. Twee weken later kwam de uitspraak: de doodstraf.
Blokzijl ging in cassatie, diende nog een gratieverzoek in bij koningin Wilhelmina, maar het hielp allemaal niet: op zaterdag 16 maart 1946 stond hij om zeven uur in de ochtend terecht op de Waalsdorpervlakte.
Een ooggetuige deed verslag:
Vrijwilligers voor het vuurpeloton, die al te enthousiast waren, werden afgewezen. Van de 12 nadien aangewezen soldaten beÂdankten er toen twee en werden vervangen.
Terwijl het vuurpeloton de voorbereidingen trof, stond Blokzijl met de handen vastgebonden tegen de paal en in de mond een zelf gerolde sigaret…
Er heerste een doodse stilte, bevelen werden er niet gegeven, al de met het geweer te verrichten handelingen: laden, grendelen, richten werden stilzwijgend door de commandant voorgedaan en door de manschappen nagevolgd. De geweren waren gericht, nog enkele seconden, precies tien over zeven weerklonk het eerste en laatste commando: ‘Vuur.’
Als een slag klonken de twaalf schoten en op het zelfde ogenblik knikte het hoofd van de geëxecuteerde naar rechts en zakte het ontzielde lichaam door de knieën, onmiddellijk werd door een dokter de dood geconstateerd. Een der soldaten bukte zich en raapte het shagpeukje op, dat hij even aandachtig bekeek en toen in zijn portefeuille weg borg…
In een afscheidsbrief aan de advocaat die met tegenzin zijn verdediging had gevoerd (hij stelde in de rechtszaal onomwonden: ‘zelfs de grootste misdadiger heeft recht op verdediÂging en ik heb dan ook gemeend mij er niet tegen te moeten verzetÂten, maar deze taak te moeten aanvaarden’ — het zal je raadsman maar zijn als je leven op het spel staat) schreef Blokzijl: ‘over mij is niet recht gesproken, ik val als eerste offer van een politieke afrekening’, waar hij in zekere zin gelijk in had.
Landverrader of niet, het is moeilijk te geloven dat iemand twee generaties geleden in ons land voor het vuurpeloton werd gezet vanwege zijn enge radiopraatjes.
Blokzijl stierf verguisd, met ‘een peuk tussen zijn lippen’ en na hem zouden in het kader van de Bijzondere Rechtspleging nog 153 doodvonnissen worden uitgesproken, waarvan er 39 daadwerkelijk ten uitvoer werden gebracht, als laatste in maart 1952 Artur Albrecht en Andries Pieters.
Albrecht was een van de achttien Duitsers die de doodstraf kregen opgelegd door een Nederlandse rechtbank en een van de zeldzame Duitsers bij wie die ook ten uitvoer werd gebracht.
Bij vier van de Duitse oorlogsmisdadigers die de doodstraf kregen opgelegd, leidde hun gratiëring begin jaren vijftig tot een wonde in de Nederlandse politiek en samenleving, die pas in 1989 zou stoppen met etteren. In dat jaar werden de laatste twee zombies uit de Tweede Wereldoorlog vrijgelaten uit de Koepelgevangenis in Breda.
