Jilt Jorritsma ZINKSTUKKEN

Tijdens optredens in Brabant zag ik dat mensen die na afloop mijn boek kochten een mooi boekje cadeau kregen. Ik was benieuwd wat het was, maar ik durfde er, als non-Brabo, niet naar te vragen. Toevallig zag ik het boekje, dat verdwaald was zeker, laatst in een kringloopwinkel in de provincie Utrecht liggen en ik kocht het meteen. Het blijkt het Brabants Boek Present te zijn, een soort regionaal Boekenweekgeschenk dus, dat je vorige maand gratis kreeg bij besteding van 15 euro aan boeken. De titel is Zinkstukken en het werd geschreven door Jilt Jorritsma (1991), die eerder de romans Was en Autopsie publiceerde.

In de rij voor de kassa van de kringloopwinkel bladerde ik er doorheen. Ik dacht: het ziet er mooi uit, met een prachtige illustratie op het omslag en smaakvolle typografie, maar is het wel wat, of is dit inderdaad een weggevertje? Mijn oog viel op deze bladzijde:

Niet zo mooi al die ‘wordens/werdens/werds’. Toch bladerde ik nieuwsgierig naar het begin. Dat gaat zo:

Diep in de nacht is de aak uit Werkendam vertrokken, ruim na hoogwater, zodat het hartje van de eb volledig kan worden benut. Een stormachtige wind staat noordwest. De golven die hard tegen de romp van het bootje slaan vertragen zijn vaart. Kobus richt zich op en probeert vooruit te kijken. Hij tuurt over de rug van het in elkaar gedoken lichaam voor hem. Het is pikkedonker. De Dood is nog nergens te bekennen.

De vier mannen roeien in stilte. Hun gezichten nat van het buiswater en de regen. Ze hebben een uur gevaren en zijn nog niet eens halverwege. Kobus denkt aan vuur. Hij hoopt dat de vorige ploeg droog hout in de keet heeft achtergelaten. Het brandhout in de aak is doorweekt.

Ze bewegen zich door een fijnmazig netwerk van onherbergzame slikplaten en eilanden die in losse flarden zijn uitgestrooid over het water. De wind jaagt de vloed over hun oevers, wist het land uit en tovert het vervolgens weer tevoorschijn. Langs het water hangen wilgen schots en scheef tegen elkaar, alsof ze in een onophoudelijke strijd zijn verwikkeld.

De taal is beeldend en eenvoudig, de meeste zinnen beginnen grammaticaal met het onderwerp, maar dat valt alleen op als je er op let, waar je weinig tijd voor hebt omdat die aardse taal zulke sterke beelden oproept. Vier mannen die door een storm heen roeien, waar kom je dat nog tegen in onze literatuur? Zou dit een echte historische roman zijn? Ik kocht het boekje en nam het mee tijdens een treinreis naar Venlo, terwijl ik door Brabant en later Limburg reed. Al lezende kwam ik erachter dat het geen ‘boekje’ is, maar een boek en wat voor boek! Op de terugweg las ik het uit en schreef ik er dit over:

Meteen bij die eerste scène, een nacht met veel water, slecht weer en ‘vier mannen’ die ‘roeien in stilte’ kreeg ik het gevoel een onbekende novelle van Arthur van Schendel te lezen. Er viel me een vreemd detail op, want een van de roeiers probeert ‘vooruit’ te kijken over de rug van de man voor hem, terwijl je roeiend natuurlijk achteruit gaat, maar dat dondert niet, want na deze opening weet je al een paar dingen: hier is een schrijver aan het woord en dit verhaal kan onmogelijk goed aflopen. Doorgaans zijn dat de beste boeken, die waar de tragedie zich op de eerste bladzijden al onherroepelijk begint te ontvouwen en je de ellende van verre ziet aankomen. Dat geeft een prettig onbehaaglijk gevoel. Je zit te wachten tot het misgaat terwijl je hoopt dat het niet te erg wordt.

Die vier mannen, Driekus, ‘de man zonder naam’, ‘de profeet’ en de hoofdpersoon Kobus, varen door de Biesbosch om op een eiland dat ‘De Dood’ wordt genoemd wilgentenen te oogsten. Het is 1956 en het stormt. Weinigen zijn er voor te porren om dit slecht betaalde, loodzware en levensgevaarlijke werk onder zulke barre omstandigheden te doen. Deze vier griendwerkers hopen wat te kunnen verdienen en niet hun leven te verliezen. Dagenlang zullen ze in het moerasachtige getijdengebied verblijven, slapend in een tochtige hut, bikkelend zolang het licht is. Nog voor de zon opkomt staan ze in de modder bij vrieskou wilgentakken te kappen en op te binden. Dat kan alleen als het eb is. Aan het eind van de week zullen ze die bossen wilgentenen naar hun scheepje brengen, om ze tegen een schamele vergoeding te verkopen aan ‘de grote baas’. De mannen oefenen een vak uit dat uitsterft, want de aanleg van een dam, waarvoor ironisch genoeg matten van wilgentenen essentieel zijn om zinkstukken van te vlechten, zal de waterhuishouding van het hele gebied en deze nering veranderen.

Jorritsma schrijft het op alsof die vier kerels naar het einde van de wereld roeien en er ook nog komen. Ze ploeteren in een landschap dat lijkt te dateren van voor de schepping, als ik even Genesis mag citeren: ‘De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren.’ Die voorwereldlijke atmosfeer wordt versterkt doordat de kerels onderling het Werkendamse dialect spreken, dat uitstekend te volgen is, zeker als je af en toe een zin hardop uitspreekt. Hier vertelt de profeet een onheilspellend en tegelijk komisch volksverhaal:

Eèn van de jongens rende naor huis en kwam trug mee nun haomer en nun spèèker. Om te bewaize da hai d’r was gewist moes hai dieje spèèker in ut houten kruis van ut graf van zain moeder slaon.

Op het eerste gezicht lijkt het weergeven van dialogen in streektaal misschien oubollig, maar hier werkt het geweldig. Juist dat taalgebruik van de mannen en de sterke verhalen die ze elkaar vertellen als ze eenmaal hun intrek hebben genomen in de keet waar ze de nacht moeten doorbrengen tussen de ratten, geven het verhaal een tijdloze kwaliteit.

De spanningen tussen de figuren zijn niet een verzinsel van de verteller die mensen tegenover elkaar wil plaatsen door ze contrasterende karakters te geven, maar vloeien voort uit de verschrikkelijke omstandigheden waarin ze moeten proberen hun brood te verdienen, de strijd die deze armoedzaaiers ieder voor zich aan moeten gaan met de meedogenloze elementen en het kapitalisme. En Kobus vecht bovendien met zijn herinneringen, een groot verdriet en de jenever. De baas voor wie ze werken kent geen medelijden en zal simpelweg alleen de beste bossen wilgentenen afrekenen voor de volle prijs, zonder toeslag voor lastige om niet te zeggen ondoenlijke omstandigheden. De mannen hebben elkaar nodig en tegelijk staan ze elkaar naar het leven, als het erop aankomt zullen ze moeten kiezen voor hun schamele inkomen of het welzijn van de ander.

Boeiend is het feit dat God weliswaar aanwezig is, in een ontroerende scène reciteert Driekus in dialect zelfs een psalm, maar dat Hij tegelijkertijd schittert door afwezigheid. Ook daardoor dacht ik aan Van Schendel: God als een onverzoenlijke kracht waartegen wordt gestreden. Maar Jorritsma is geen tweederangs Van Schendel, hij is een eersterangs Jorritsma. Een groot verschil is bijvoorbeeld dat dit boek zich — los van enkele flashbacks — in slechts enkele etmalen afspeelt; bij Van Schendel voltrekt het noodlot zich eerder als een langzaam schuivende gletsjer, over de loop van een heel leven.

In Zinkstukken blijkt ook maar weer hoe belangrijk sfeer is in een boek. Voor mij in ieder geval. Dit hele boek is geschreven in een donker palet, het is alsof het in elke zin regent. Maar sfeer zit niet alleen in de taal en de stijl, of in de beschrijvingen van weersomstandigheden, het is veel meer dan dat. Zeker zit sfeer in deze korte roman ook in the uncanny, zoals we dat kennen van Poe en Shirley Jackson of in de Fantastische vertellingen van Bordewijk, het onrustbarende gevoel dat in de wereld waarin deze mannen rondsjouwen niet alles gaat zoals bij ons. Jorritsma maakt daarbij handig gebruik van de reeds gememoreerde sterke verhalen (klaarblijkelijk echte volksverhalen) die de mannen elkaar vertellen. Het vertellen van akelige verhalen wordt daarmee gethematiseerd en dat sluit weer mooi aan bij de scènes die in aangrijpende en gaandeweg beangstigende flashbacks over Kobus en zijn dochtertje worden verteld via de woorden ‘en toen.’

Op de achtergrond spelen thema’s als armoede, kansenongelijkheid, de moderniteit die zich aandient en die je niet tegen kunt houden, het geloof, het verlies daarvan, sociale controle, het noodlot — maar alles staat in dienst van wat op de voorgrond zwoegt: vier mannen in een immense onbarmhartige ruimte, die een strijd leveren die ze onmogelijk kunnen winnen. Wantrouwen, hoogmoed, eigen belang, wanhoop, bijgeloof, de dood: alles vloeit voort uit het verhaal. Je krijgt het idee dat de schrijver alleen zijn personages maar hoeft te volgen en dat de diepere lagen zich als vanzelf vormen, een beetje zoals het water in dit verhaal zich door niets tegen laat houden.

Ik vind Zinkstukken een klein wonder van vertelkunst. Juist omdat het verhaal centraal staat en niet een idee het uitgangspunt lijkt te zijn, een idee waar dan een verhaal bij wordt verzonnen. We volgen in de eerste plaats die vier griendwerkers op hun onmogelijke missie. Meteen vanaf de eerste bladzijde is het spannend en weet je dat je binnentreedt in een vreemd universum. Jorritsma heeft zich goede gedocumenteerd en houdt het klein, hij valt niet voor de verleiding ons een spiegel over onze eigen tijd voor te houden, hij slaat nooit aan het essayeren of het etaleren van kennis, maar leert ons iets over de mens door hem te tonen — bij hem is die mens toch ook een Hermansiaanse ‘eeuwig bedrogene van het universum’.

Het levert een somber verhaal op dat een feest is om te lezen. En in Brabant kregen mensen die een ander boek kochten dit gratis en voor niks! Ik hoop dat dit boek in alle provinciën in de handel wordt gebracht en dat gans het land het huiverend zal lezen.