Het mirakel van Amsterdam

Ik ben net begonnen in de historische roman Occo, het romandebuut van dichter Daan Doesborgh. Ik lees het met plezier. Grappig genoeg vroeg een paar jaar geleden de redactie van het inmiddels ter ziele gegane tijdschrift OMG (het bestaat nog wel online) me om een verhaal over een wonder te schrijven en koos ik voor een gebeurtenis die toevallig ook een belangrijke rol speelt in het boek van Doesborgh: het mirakel van Amsterdam. Hieronder staat dat verhaal.

De Heilige Stede werd in 1908 afgebroken

(foto Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

Het mirakel van Amsterdam

Hoger en hoger stegen de vogels. De reiger vloog in wijde cirkels met diepe vleugelslagen, terwijl de razendsnelle valk probeerde boven hem te komen.

Het gebeurde op 13 maart 1482 in de wouden rond Wijnendale, ten zuidwesten van Brugge. Op de grond staarde een hoog te paard gezeten gezelschap naar het gewemel in de hoogte. Edelen van het Bourgondische hof. Even daarvoor had Maria van Bourgondië over de rivier een reiger zien vliegen. Ze nam de kap van haar valk en stuurde de elegante roofvogel op jacht.

Sinds de dood van haar vader Karel de Stoute in 1477 was Maria de machtigste en rijkste vrouw van Europa. Ze werd beschouwd als de vorstin van de Nederlanden.

Om de verrichtingen van haar lievelingsvalk te kunnen blijven volgen, leidde Maria haar paard naar de rivier. Algauw was ze voor de anderen een gestalte aan de horizon. Hoog boven haar waren twee warrelende stipjes verwikkeld in een dodendans. 

Weg van de anderen volgde Maria de loop van de rivier — een zeldzaam moment van eenzaamheid in haar bestaan, dat gevuld was met overleggen, audiënties, veldslagen, belegeringen, banketten, missen en plichtplegingen.

Haar echtgenoot Maximiliaan van Oostenrijk bevond zich aan de kop van de groep ruiters. Hij sprak met een van zijn kamerheren over de opstandige gewesten, die overal als ratten aan de macht van de Bourgondiërs knabbelden.

De wind dreef de strijdende vogels verder en verder, daarom gaf Maria haar paard de sporen. In galop waagde ze de sprong over het water. Daarbij stootte het paard tegen de stam van een omgevallen boom en wierp Maria van zich af. De vorstin landde half op de boomstronk, waarna het zware dier bovenop haar terechtkwam.

Terwijl dit drama zich in de diepte afspeelde, had de valk eindelijk voldoende hoogte gewonnen om de fatale aanval in te zetten. In een steile duikvlucht wierp het gestroomlijnde dier zich op zijn logge prooi.

De mannen op hun paarden zagen het in de verte gebeuren. De reiger stortte onherroepelijk naar beneden. Gejuich steeg op. 

In een kalme spiraal daalde de valk naar de plek waar hij zijn meesteres vermoedde, maar onderbrak zijn majestueuze glijvlucht om doodstil boven de rivier te blijven hangen.

De biddende gestalte van de valk tekende zich onheilspellend af boven de horizon. 

Met toenemende snelheid bewoog het gezelschap zich in de richting van de plek waar de valk de wacht hield.

Stroomafwaarts de rivier volgend ging Maximiliaan voorop. Hij was het die Maria zag liggen, op de boomstam, half onder het creperende paard — het water kleurde vanaf hier bloedrood. 

Maximiliaan, telg uit een roemrijk geslacht van ridders, maar tot op dat moment schuchter op het verlegene af, stortte zich in de rivier, sneed het paard de keel door en rolde het met al zijn kracht van zijn echtgenote af.

‘Ze leeft!’ riep hij. ‘Ze zal leven!’

Iedereen keek naar mij. Doorgaans bewoog ik mij op een geleende knol in de staart van het gezelschap, maar nu werd er van mij een wonder verwacht.

Ik steeg af en stapte aarzelend in de rivier, waarna ik vrijwel meteen werd meegesleurd door de stroming. Mijn heer zelve viste mij uit het water en zette me overeind. Terwijl hij mijn hand bleef vasthouden, onderzocht ik de moeder van zijn drie kinderen. Buiten bewustzijn, bloedingen, botbreuken; ze was zwaar gewond.

Ik riep om een van de platte karren waar de jachtbuit op werd verzameld en gaf orders deze leeg te maken en er met dekens, doeken, mantels, alles wat maar voor handen was een bed te maken voor onze vorstin.

Toen Maria op de kar werd gelegd, viel een miraculeuze stilte over het veld. Hoog boven ons was een gerucht te horen — als één man keken we naar de hemel en daaruit daalde zacht wiegend, als een blad dat op een windstille dag uit een boom dwarrelt, de valk van Maria neer en landde op haar lichaam. Zichtbaar uitgeput zeeg het dier ineen en ging op de gekwelde borst van zijn bazin zitten als op een nest.

Ik zweer dat ik de waarheid vertel als ik zeg dat op dat moment de vorstin uit haar sluimer leek te ontwaken. Eén enkel ogenblik sloeg ze haar ogen op, zag de valk en sloot ze weer. Maximiliaan en de edelen zijn mijn getuigen.

*

Al liet Maximiliaan zich de reiger die avond goed smaken, zijn optimisme, de gebeden van gans Brugge en mijn inspanningen konden niet voorkomen dat de vorstin enkele weken later het leven liet.

Maximiliaan was ontroostbaar. 

Hij zal van haar hebben gehouden — hun huwelijk was uiteraard een door families bekokstoofde aangelegenheid, maar ik denk dat zijn liefde voor haar oprecht was. 

Wat hem bovendien vast bezwaarde was de zware last van de verantwoordelijkheid die hij nu noodgedwongen droeg als voogd van Filips, hun vierjarige zoon, die de erfopvolger van zijn moeder was.

Uiteindelijk werd Maximiliaan, toen we nog geen jaar later in Den Haag neerstreken, alsnog bevangen door een mysterieuze ziekte. Een gebroken hart, vreesde ik. Ik stelde aderlatingen voor, maar de eerwaarde Laurentius, de hofpriester, opperde een andere remedie: de heilzame kracht van de biecht, het gebed, de communie.

*

‘Ik ben een verdoemd man — ik moet iets tegenover mijn zonden stellen, wil ik in leven blijven,’ vertrouwde een boetvaardige Maximiliaan me toe tijdens een zeldzaam onderhoud onder vier ogen. Ik had nog geopperd dat het een kwestie van humeuren was: zijn lichaamssappen waren uit evenwicht geraakt. Naast aderlatingen waren er tal van medicijnen denkbaar, ik opperde onderzoek te doen naar het recept voor een geneeskrachtige zalf.

Traag schudde Maximiliaan het hoofd. ‘Bespaar u de moeite,’ zei hij schor. ‘Laurentius raadt me met klem aan op bedevaart naar de Heilige Stede te gaan.’

Dat zei me eerlijk gezegd niets, dus zocht ik na de mis de eerwaarde Laurentius op.

De Heilige Stede bleek een kapel te zijn, gebouwd op de plek waar een wonder had plaatsgevonden.

‘Op 15 maart van het jaar onzes Heren 1345 vond het Mirakel van Amsterdam plaats,’ zei Laurentius plechtig.

Amsterdam, ik kende de naam natuurlijk, maar ik was er nooit geweest. Het stadje heette een loyale enclave te midden van opstandige gewesten te zijn. Voorts ontleende het een dubieuze faam aan de stugge inwoners en de talrijke muggen.

Hoe waarschijnlijk achtte de eerwaarde het dat God uitgerekend in een drooggevallen moeras Zijn wonderen verrichtte?

‘Misschien hebben ze wonderen daar harder nodig dan elders,’ antwoordde hij.

Ik haalde mijn schouders op en hij vertelde wat er bijna anderhalve eeuw geleden was gebeurd. 

Een zieke man voelde de dood naderen en vroeg om het laatste sacrament. Er werd een priester bij geroepen, die nam de biecht af en diende de stervende de hostie toe. De zieke echter kwam overeind, strompelde naar de haard en braakte in het vuur. Ook de hostie moet daarbij in de vlammen terecht zijn gekomen. 

De volgende ochtend vond een verzorgster de hostie ongeschonden in de as van de haard. Ze bracht de priester op de hoogte.

‘Waarom ging ze naar de priester?’

‘Omdat het een wonder was.’

Misschien was het wel het werk van de duivel, dacht ik.

‘Uiteindelijk werd op de plek van dit wonder kapel gebouwd.’

‘En de man?’ vroeg ik.

‘Man? Welke man?’

‘De zieke man die de hostie uitkotste, hoe verging het hem?’

‘Dat vertelt de geschiedenis niet. Het gaat om de hostie, die wordt daar nog altijd vereerd. En er wordt een geneeskrachtige werking aan toegeschreven.’

In Den Haag kon ik niets doen om Maximiliaan te helpen en daarom besloot ik ter voorbereiding op diens bedevaart de wonderhostie met eigen ogen te gaan bekijken. Het was nog geen dag reizen naar Amsterdam.

*

Enkele dagen later nam ik mijn intrek in de grafelijke herberg aan de Windmolenstraat. Voor een geboren Bruggenaar was Amsterdam destijds een vlek. Een vochtige vlek, want men zou kunnen zeggen dat het stadje werd gebouwd op een rivier, de Amstel. De huizen stonden er op tientallen, honderden houten palen, vertrouwde de waard me toe, de gevelde stammen van kolossale bomen. 

Meer dan drieduizend waaghalzen noemden zich inmiddels trots Amsterdammers. Brugge telde zeker vijftien keer zoveel zielen en toch leek het daar minder druk dan hier. Overal was bedrijvigheid: huizen werden gebouwd, schepen werden opgetuigd, lading overgeslagen op kleinere vaartuigen, mannen rolden vaten over de kades van het Damrak.

Met deze lui valt niet te spotten, dacht ik. Die bouwen een stad waar andere mensen hun afval overboord gooien en maken dat ze wegkomen.

Na een nacht woelen besloot ik op onderzoek uit te gaan. 

Het leek me raadzaam om me niet kenbaar te maken als hoveling, maar me liever voor te doen als een devote pelgrim met een zieke vader. 

In de gelagzaal waren me al diverse gasten opgevallen aan wie iets mankeerde. Blinden, kreupelen, mensen overdekt met builen, schilfers en etterende wonden — ‘de herberg is het paradijs voor de heelmeester,’ placht een van de artsen bij wie ik in de leer was te zeggen. Maar van een dokter verwachtten deze ellendigen geen heil — ze kwamen voor de wonderhostie waarover Laurentius me had verteld.

Om me een ware pelgrim te voelen, liet ik me de volgende ochtend buiten de muren van de stad brengen. Daar liep ik tussen mensen die van heinde en verre waren gekomen: een door twee zoons ondersteunde lamme uit Gouda, een boetvaardige moordenaar uit Dordrecht, een om haar moeder bezorgde dochter uit Delft, een stuk of wat vrolijke monniken uit de Ardennen. Er waren ook bomen van kerels in dikke jassen die talen spraken die ik niet kon thuisbrengen.

De Heilige Weg voerde ons terug naar de stad. Een oude poorter keek over de landerijen naar de stapelwolken in de verte en voorspelde onweer. Met twee andere bejaarden nam de man het laatste nieuws door. De roddel die de meeste hilariteit onder de oudjes opwekte, was dat Maximiliaan op de dag dat Maria stierf vader werd van een onecht kind.

‘Wat denkt u daarvan, vreemdeling?’

Betrapt nam ik mijn hoed af. ‘Fabels,’ zei ik naar waarheid, want het kind was de volgende dag pas geboren.

Ik zette mijn hoed op en vervolgde mijn weg.

*

Eenmaal binnen de muren van de stad liep ik op met een schipper die naar de Heilige Stede onderweg was om te danken voor de behouden terugkeer van zijn schip na een reis naar Hamburg.

‘Mijn vaders vader kwam hier al. Hij heeft de oude kapel nog gekend.’

Ik begreep dat de kapel gebouwd was rond het haardvuur waarin zich het wonder met de hostie had voltrokken, maar dat het oorspronkelijke bouwwerk door een grote brand in de as was gelegd.

‘En de hostie,’ zei de schipper en hij sloeg een kruis, ‘doorstond de ramp ongeschonden, uiteraard.’

‘Uiteraard.’

‘U zult de hostie weldra zien: blank als het kleed van Maria, meester. En u zult merken dat uw vader snel weer de oude is, zeker als u hem ertoe kunt bewegen in eigen persoon de Heilige Stede te bezoeken, zo gauw hij daartoe in staat is.’

Ik voelde me ongemakkelijk bij de leugens die ik deze eenvoudige, oprechte man op de mouw had gespeld, maar hem de waarheid vertellen was niet meer mogelijk, want we gingen de serene stilte van de Heilige Stede binnen. Devote gelovigen schuifelden naar het altaar waarop een zilveren monstrans blikkerde in de zonnestralen die gefilterd door de veelkleurige gebrandschilderde ramen vielen — de schipper ging zodra we binnen waren op zijn knieën voort.

Ik was de gezondheid van mijn meester zeer toegedaan, maar dit ging me te ver. Ik bleef overeind.

In de verte rommelde onweer in de lucht en de zonnestralen verdwenen alsof er gordijnen voor de glazen werden getrokken — nu pas zag ik hoeveel kaarsen er in de kerk brandden.

Na een tijdje vervolgde de schipper op zijn knieën zijn weg naar de uitgang en was het mijn beurt om een eerbetoon te brengen aan de hostie. 

Op slag werd het menens met mijn missie.

Ik knielde neer voor het altaar, waaronder nog de zwartgeblakerde stenen van de oorspronkelijke vuurplaats te zien waren, glimmend van de vele bevende gelovigen die ze hadden gestreeld in de hoop op genezing of een beter leven. Gedurende ik weet niet hoe lang staarde ik vervolgens, mijn handen vroom gevouwen, omhoog naar de zilveren monstrans waarin achter glas, bijna doorschijnend dun en tegelijk licht uitstralend de bescheiden hostie scheen — het lichaam van Christus, die ook voor mij was gestorven…

Ik huilde niet, maar de tranen stroomden me over de wangen. Daar ter plekke op die heilige plaats, oog in oog met een flintertje ongedesemd brood, wist ik zeker — nee, voelde ik in mijn hart — dat mijn heer zou genezen dankzij de uitgekotste hostie die hier al meer dan honderd jaar werd vereerd als een zeldzame, kostbare edelsteen.

Toen ik overeind kwam en met grote passen naar de uitgang was gelopen, in de hoop buiten de schipper mijn leugens op te kunnen biechten, barstte er een geweldige stortbui los. Ik stond helemaal alleen achter de kerk en keek uit over het water van de Amstel, dat golfde en schuimde als een zee in de storm. Ik drukte mijn rug tegen het koor van de kerk om niet door de storm in het water te worden geblazen.

Het geweld van de wind en de regen maakte me bang.

Uit het niets verscheen een monnik, die me aan mijn mouw pakte en me meenam. Door de regen renden we langs de Amstel, gingen een bruggetje over en liepen door een smalle straat. Bij de volgende brug ving ik een glimp op van de Heilige Stede en meende ik de bliksem in de toren van de Heilige Stede te zien slaan. Halverwege een steeg gingen we door een poort en kwamen in een ommuurde tuin waar koeien bij elkaar stonden te schuilen voor de regen. De monnik maakte een deur open en liet me binnen.

Bij een aangenaam vuur warmde ik op.

‘Ik had meteen al gezien dat u geen gewone bezoeker bent,’ zei hij.

Hij was jonger dan ik, een kind nog.

Ik onthulde wie ik werkelijk ben en ik maakte hem deelgenoot van mijn wroeging over de leugens die ik mijn medemensen had verteld.

Hij wuifde dat weg. Voor de flauwekul die ik de mensen aan de neus had gehangen was immers een waarheid gekomen die zoveel groter was dan een paar leugentjes om bestwil.

Wel zei hij dat het belangrijk was dat mijn heer zodra zijn gezondheid het toestond naar hier zou komen.

‘Hij zal genezen,’ voorspelde hij. ‘Hij zal leven.’

‘Hij moet die hostie met eigen ogen zien om het wonder te geloven,’ zei ik.

De monnik onderdrukte een glimlach. Hij stond op en keek uit het raampje. 

‘Het is bijna droog,’ zei hij. ‘Wijn?’

Uit een stenen kruik schonk hij twee bekers vol rode wijn.

Hij ging naast me zitten, op het eenvoudige bankje dat voor het vuur was geschoven en kondigde aan dat hij mij deelgenoot zou maken van een ‘heilige leugen’.

‘Natuurlijk heeft het wonder plaatsgevonden,’ begon hij. ‘Daar bestaat ook in mijn hart geen enkele twijfel over. Zowaar ik geloof in de kruisiging van Christus en zijn opstanding… U moet vooral niet denken dat ik… Het gaat om de hostie, het sacrament dat het vuur overleefde, terwijl het braaksel van die arme ziel verging…’

Het lag op mijn lippen te vragen hoe het die zieke man was vergaan, maar ik hield mijn mond.

Zwijgend staarden we een tijdje in de vlammen.

Toen zei de jonge monnik: ‘Elke drie weken doen we een verse hostie in de monstrans.’

‘Wat?’

‘De hostie die het vuur overleefde, begon een week of wat na het wonder al te schimmelen, dus toen bepaalde de bisschop dat die hostie op gezette tijden moest worden ververst.’

Ik wist niet wat ik hoorde. ‘Dus de hostie die ik zag…’

‘Is vermoedelijk vorige week vrijdag gebakken. Hooguit.’

‘Ik kan het niet geloven.’

Hij lachte. ‘Maar die wetenschap doet niets af aan het grote wonder en evenmin aan de kleine wonderen die nog elke dag in deze stad plaatsvinden. En iedere hostie is heilig, moet u maar denken. Ook een die versgebakken is.’

*

Nadat we afscheid hadden genomen, keerde ik terug naar de grafelijke herberg en de volgende ochtend reisde ik weer naar Den Haag. Het verbaasde me niet dat mijn heer aan de beterende hand was. Laurentius maakte de aartshertog duidelijk dat hij zijn herstel te danken had aan de Amsterdamse wonderhostie. Hij beweerde dat de genezing was ingezet op het exacte moment dat ik knielde.

Maximiliaan zou sterker van zijn ziekbed opstaan dan hij ooit was geweest en had zijn verlegenheid voorgoed van zich afgeschud. 

Niet lang na zijn wonderbaarlijke genezing maakte Maximiliaan tussen zijn veldslagen door tijd om in de Heilige Stede hoogstpersoonlijk voor de wonderhostie te knielen — ze hadden voor zijn komst vast een kakelverse in de monstrans gestopt. Zijn bezoek werd groot nieuws en zorgde ervoor dat voortaan pelgrims uit heel de beschaafde wereld de weg naar Amsterdam wisten te vinden. Velen bleven er hangen en begonnen er een nieuw leven.

Rond die tijd trad ik uit dienst en vestigde ik me, in navolging van vele pelgrims, in… Amsterdam, waar ik nog altijd woon. 

Maximiliaan zou de stad zijn dankbaarheid blijven betonen. Hij was ervan overtuigd dat de hostie hem niet alleen had genezen, maar hem tevens de kracht had gegeven door te leven na de dood van Maria. Nadat zijn oudste zoon Filips in 1506 overleed, werd Maximiliaan twee jaar later gekroond tot Keizer van het Heilige Roomse Rijk. Bij die gelegenheid schonk hij het trouwe, heilige Amsterdam het privilege zijn keizerskroon in het stadswapen te voeren. 

*

Soms, als zich donkere wolken samentrekken boven de stad, loop ik naar de Heilige Stede en kniel ik neer voor de zoveelste wonderhostie in zijn fonkelende monstrans. Zodra de bui losbarst, wacht ik buiten op de monnik, maar die verschijnt nooit. 

Vele dagen en avonden heb ik door de stad gezworven, op zoek naar het klooster, de binnenplaats met de koeien, de deur, de kamer waar we ons warmden aan het vuur en de wijn, maar telkens als ik denk: hier was het, blijkt het een vrouwenklooster te zijn en jagen de zusters me met rieken, dreigementen en gejoel van hun terrein alsof ik de duivel in eigen persoon ben.

En toch voel ik mij gezegend.