
(Foto genomineerden: Bart Grietens)
De afgelopen dagen verschenen er diverse stukken over de bekroning van Aan het einde van de oorlog. Zo publiceerde het AD de weerslag van een telefonisch interview met mij, waarin ik blijkbaar heb gezegd: ‘Schrijvers zijn toch hele leuke mensen’
In Trouw stond een stuk van Ally Smid, waarin iets te kort door de bocht wordt gesteld: ‘De vertelstructuur keek Natter af van de Amerikaanse Booker Prize-winnaar George Saunders (67) die Lincoln in the Bardo schreef.’ Het was meer dat de bladspiegel van het briljante boek van Saunders me liet zien dat je een boek ook anders in elkaar kunt zetten.
In een fraai stuk in de Volkskrant vroeg Lotte Krakers zich af: ‘Wie is toch die schrijver die zich jarenlang en met zoveel overgave en een, ironisch genoeg, haast Duitse precisie op het onvoorstelbare heeft gestort, die het diepste kwaad moedwillig in de ogen heeft gekeken?’
In NRC concludeert Thomas de Veen dat Aan het einde van de oorlog het boek is waarvoor ik ‘de Librisprijs misschien wel móést winnen.’ Dat is waarschijnlijk waar, want terwijl de prijsuitreiking naderde, dacht ik: it’s now or never, zo’n boek zal ik niet nog eens schrijven.
