
Zonder grote verwachtingen begon ik aan Vertrek(punt) van Julian Barnes (vertaald door Jelle Noorman). De schrijver kondigde het aan als zijn laatste boek. Altijd mooi als iemand weet wanneer het tijd is om te stoppen. Ik dacht dat het een memoir zou zijn vol hoogte- en dieptepunten uit een schrijversleven, maar het bleek slechts slechts voor een deel uit dat soort herinneringen te bestaan. Het is deels getuigenis en essay over het geheugen, de liefde, vergeten, literatuur en het stoïcijns ondergaan van ouderdom die met gebreken komt, maar het middendeel omvat een gave novelle.
Het thema van die novelle lijkt een beetje op het thema van twee romans uit de Nederlandse literatuur van de afgelopen jaren: een gemiste kans kan worden rechtgezet.
Ik citeer de flaptekst van die boeken.

Ik kom hier nog op terug (2023) van Rob van Essen:
Journalist Rob Hollander wordt door een oud-studiegenoot uitgenodigd langs te komen in Los Angeles. Daar biedt deze Icks hem de mogelijkheid fouten uit het verleden te herstellen, door terug te reizen in de tijd.

Nog lang geen winter (2025) van Peter Terrin:
Wat als je naar het leven kon reizen dat je door die ene verkeerde beslissing nooit hebt geleid?
Bij Van Essen wordt het thema op een ironische en geestige manier uitgewerkt, bij Terrin op een serieuze en zwaarwichtige wijze — en allebei hebben ze technische innovaties en science fiction nodig om het idee gestalte te geven. Julian Barnes niet, hij doet het terloops, maar juist het feit dat deze thematiek in zijn laatste boek opduikt, doet mij vermoeden dat het ogenschijnlijk autobiografische verhaal dat hij in het midden van Vertrek(punt) vertelt, hoe levensecht ook, helemaal of gedeeltelijk verzonnen is. Ik heb geen recensies over dit boek of interviews met de auteur gelezen, dus ik weet niet in hoeverre ik onzin verkondig.
De oplossing die hij heeft gevonden om mensen een misstap uit hun verleden te laten rechtzetten, of een beslissing te herzien die hen in staat stelt een ander leven te leiden, is opmerkelijk simpel. Hij beschrijft hoe hij in zijn studietijd twee mensen bij elkaar bracht die verliefd op elkaar werden, maar uiteindelijk niet voor elkaar kozen. Tientallen jaren later brengt Barnes ze opnieuw bij elkaar en besluiten ze, anders dan in hun studententijd, met elkaar te trouwen. Barnes vertelt dat er zelfs een woord bestaat voor geliefden die elkaar na lange tijd terugvinden: rekindlers. Ik ga hier niet verklappen hoe dat huwelijk verder verloopt, maar ik vond het opmerkelijk dat ik een thema herkende uit die Nederlandse romans.
Ik herkende nog een ander thema dat ik tegenkwam in diverse recente romans. Barnes verklaart namelijk plechtig, hij zweert zelfs op de Bijbel, dat hij nooit over dit liefdesverhaal zal schrijven, maar hij doet het wel en behandelt het thema opnieuw luchtig en handig, terwijl het in andere boeken juist een splijtzwam is tussen maker en object. Het is ook geestig:
Hoe het ook zij, de ene atheïst zwoer tegenover de andere op een boek waardoor geen van beiden zich in het leven liet leiden dat hij iets niet zou doen wat hij vervolgens toch deed.
Dit thema van exploitatie zit ook verwerkt in het al genoemde Nog lang geen winter van Peter Terrin, waarin een vader moet beloven nooit de kamer van zijn puberdochter in te gaan. Hij is fotograaf en maakt uiteindelijk in het geniep toch een foto van de chaos in de kamer en presenteert die pontificaal als pièce de résistance op een tentoonstelling die zijn dochter ook bezoekt.

Ook in Nirwana (2023) van Tommy Wieringa gebeurt zoiets, als ik het me goed herinner gaat het om een kunstenaar die het leven van zijn geliefde exploiteert en die geliefde neemt wraak met een expositie waarop ze heimelijk gemaakte foto’s van hem laat zien.

In Luister (2023) van Sacha Bronwasser, gaat het om de ‘jij’ aan wie het boek is gericht, die het leven van de ‘ik’ blijkt te hebben geplunderd om er een installatie van te maken.

Tot slot komt het, net als bij Barnes in een literaire vorm, voor in Lessons (2022) van Ian McEwan (in tegenstelling tot What We Can Know van vorig jaar vond ik dat een geweldig boek), waarin een vrouw een man verlaat om te kunnen schrijven en uiteindelijk een boek publiceert waarin een portret van haar ex wordt geschetst.
Dit zijn maar twee van de thema’s in het boek van Barnes, het gaat over nog veel meer en alles wordt elegant, intelligent, met schwung en onweerstaanbare humor verteld.
Zelfs zijn eigen eruditie neemt hij op de hak als hij ergens opmerkt dat hij wel erg veel Proust citeert, terwijl hij niet eens een Proust-adept is, maar hij haalt de schrijver van Op zoek naar de verloren tijd ‘vooral aan om hem tegen te spreken.’
Verschillende malen schoot ik tijdens het lezen van Vertrek(punt) in de lach. Dat gebeurde in een overvolle trein richting Helmond. Ik voel me toch een beetje een gevaarlijke gek als dat gebeurt. Het was bij deze zinnen over de Covid-crisis, die ook in het Verenigd Koninkrijk leidde tot discussies over triage voor de IC en de vraag of bij een tekort aan capaciteit jonge mensen niet beter gered konden worden dan oude mensen:
Ik stelde me voor hoe ik met spoed naar het ziekenhuis werd gebracht, in ademnood, niet meer in staat te praten en misschien zelfs buiten bewustzijn. Ze zien die ouwe vent en vellen het oordeel ‘direct door naar terminale zorg’, maar dan ontdekt een van hen de badge op mijn jasje. Daarop staat: MAAR IK HEB DE BOOKER PRIZE GEWONNEN. En dus word ik gespaard.
En vannacht was ik bang dat ik mijn vrouw wakker zou maken toen ik moest lachen om een scène waarin Barnes beschrijft hoe hij lange gesprekken voert met de vrouw van het stel dat hij bij elkaar bracht. Ze vertelt over de therapeut met wie ze over haar problemen spreekt:
‘Wat zegt je therapeut ervan? Of behoort dat tot het biechtgeheim?’
‘Ze zegt dat ze dit soort gevallen wel vaker is tegengekomen.’
‘En?’
‘Soms komt het goed en soms ook niet…’
‘Hoeveel rekent ze?’
Jean negeerde dit en stak een sigaret op.
‘Ik ben tenminste gratis,’ zei ik luchtigjes.
‘Jij bent gratis omdat ik verdomme geen reet aan je heb.’
Het mooie van het boek is dat het mij in ieder geval weet te raken, zeker als het over het hondje Jimmy gaat, dat op zijn oude dag door Julian Barnes wordt geadopteerd (dat deel van het verhaal geloof ik weer wel). Ik vind het trouwens een mooi omslag, met dat hondenportret (‘Ray’ voorstellend) door Sally Muir.

Tegen het einde van het boek, als Barnes waardig afscheid neemt en hij je als lezer met welgemeend pathos de hand reikt (‘ik zou niets zijn zonder jou’ — het ontroerde me om dat te lezen), schudt hij nog een prachtige vondst over de woorden ‘vertrek’ en ‘aankomst’ uit zijn mouw.
Wat een afsluiting van een oeuvre, wat een geweldig boek, wat een grootmeester!

Zoals Kinderen voor Kinderen zingen in het lied ‘Favoriete meester’: Die man is master!
