
Aan het het einde van de oorlog wordt de komende jaren in allerlei landen gepubliceerd en daardoor heb ik contact met de vertalers. Ze halen soms foutjes en zelfs fouten uit mijn boek, ze kennen bepaalde uitdrukkingen niet, of verbeteren bepaalde termen, als ik die niet juist heb gebruikt. Af en toe komen ze met iets waar ik van schrik. Zo opperde een vertaler dat mijn personages Karl Zehlendorf (de ondercommandant om wie het hele verhaal om draait), Lance Weitze (de arts) en Hanns Schreiber (de commandant) niet in het bezit van een IJzeren Kruis zouden kunnen zijn — hij had ze die onderscheidingen in zijn vertaling ‘afgenomen’:
Het ‘Eisernes Kreuz 1. Klasse’ kan Karl niet hebben ontvangen, want die onderscheiding werd slechts door de Wehrmacht, en dan alleen voor buitengewone dapperheid, verleend, en zoals we later te weten komen, heeft Karl nooit gevochten.
Ik schrok daar dus van. Natuurlijk maak ik fouten, maar zou ik zo stom kunnen zijn? Gelukkig herinnerde ik me een hoofdstuk dat ik schreef voor een enorme, essayerende roman die ik nooit publiceerde en waar zo’n IJzeren Kruis voorkomt, verleend aan een SS’er die niemand nu nog dapper zou noemen. Hieronder volgt dat essay uit ca. 2019:

In de boekenkast in mijn ouderlijk huis stond ooit de complete Oosthoeks Encyclopedie in bruine leren banden. Mijn ouders hadden een abonnement op dat ding. Ze begonnen ergens eind jaren zestig samen met A—BABY en eindigden in de jaren zeventig met VERT—ZIJTA. Dat laatste deel was mijn favoriet toen ik op de lagere school zat, want in dat deel zaten pagina’s met kleurenafbeeldingen van ‘vlaggen’ en ‘wapens’ van provincies en steden die ik heel mooi vond. Daar las ik ook over de ‘wereldoorlog’, nog voor ik er van mijn ouders of de meester over hoorde. Er was één illustratie bij het uitgebreide lemma over de Tweede Wereldoorlog die me eindeloos fascineerde.
Het is een zwart-witfoto van een een klein jongetje met zijn handen in de lucht en een grote pet op zijn hoofd die onder schot wordt gehouden door een Duitse soldaat.
In mijn herinnering staan die Duitse soldaten staan erbij te lachen en roken ze een sigaretje.
Laatst vond ik in een kringloopwinkel deel 15 van Oosthoeks Encyclopedie en ging ik ermee op een versleten bank zitten. Het lemma ‘wereldoorlog’ had ik snel gevonden. Het is drukker op de foto dan ik dacht; er staan veel meer mensen op. Er wordt niet gelachen en niet gerookt. Weliswaar gaat je aandacht automatisch uit naar het jochie met de pet, die zo ongeveer op het kruispunt van de horizontale en verticale gulden snede staat, maar achter hem zijn zeker nog drie andere kinderen zichtbaar en vrouwen en mannen, plus minstens vijf soldaten.
De mensen dragen warme kleren, al schijnt de zon en heeft het jochie zijn korte broek aan. Misschien zijn het geen warme kleren, maar al hun kleren. Ze hebben ook tassen, koffers en plunjezakken bij zich en lopen met handen omhoog uit de poort van een groot gebouw, die misschien toegang geeft tot een binnenplaats. Aan de rechterkant staat een groepje soldaten: helmen op, laarzen aan.
De voorste heeft een een motorbril op zijn helm en houdt een machinegeweer vast, als dat afgaat, schiet hij de voeten van het doodsbenauwde jongetje aan flarden. Deze man lijkt zich als een van de weinigen bewust van het moment, doordat hij fier in de lens kijkt.
Het jongetje staat stil, ter zijde van de rest van de groep, van wie sommigen naar voren lijken te lopen. Hij ziet er het angstigst uit van allemaal, misschien is hij zojuist terecht gewezen, omdat hij zich losmaakte van de groep, of iets zag liggen en dat wilde oppakken — hij kan niet ouder dan een jaar of negen zijn en je kunt je voorstellen dat hij zelfs onder deze omstandigheden wat speels was.
Als kind heb ik er volgens mij nooit bij stil gestaan hoe onmenselijk vreemd het is dat een kind van nog geen tien wordt gedwongen zijn handen omhoog te steken, alsof hij iets misdaan heeft.
De jongen staat daar dus met zijn pet op, in zijn korte broek, met zijn rijgschoenen en tot aan zijn knietjes opgetrokken sokken, in zijn halflange warme jas met bontkraag en die angstige blik in zijn ogen — hij neemt de situatie zeer serieus. Om zijn nek zie je het dunne hengsel van een zo te zien gebreid of in ieder geval stoffen tasje dat onder zijn rechteroksel hangt — wat zit er in die tas?
De vrouw die het dichtst bij hem staat zou zijn moeder kunnen zijn, al lijkt ze niet met hem bezig en staat ze iets van hem af. Als die vrouw zijn moeder niet is, is hij dan een wees? Ze heeft vrij licht haar en kijkt bezorgd of geschrokken om, in de richting van de soldaten, waardoor we en profil haar puntneus zien. Ze steekt haar handen in de lucht en in de holte van haar ellebogen hangen tassen, ook rond de vingers van haar rechter hand zien we het hengsel van een wat kleinere tas. Er is geen lichte band met Davidster om haar rechter bovenarm te zien, die voor mensen boven de twaalf verplicht was in het ghetto en die de vrouw achter haar, met de lichte sjaal, wel heeft. Deze vrouw kijkt enigszins verstoord in de richting van iets of iemand aan de voor ons linkerzijde van de camera, het jongetje kijkt rechts van de camera, wat doet vermoeden dat de fotograaf of wel te midden van dreigende soldaten staan, ofwel iets ervoor. Misschien werden ze gedwongen stil te staan door de mannen die wij niet kunnen zien, terwijl ze van de mannen achter hen juist te horen hadden gekregen dat ze moesten doorlopen.
Ik heb als kind nooit begrepen dat deze foto in 1943 bij de ontruiming van het ghetto van Warschau genomen werd — waarschijnlijk wist ik als kind niet eens dat wat ik zag echt gebeurd was.
Heel veel mensen kennen de foto, het is een, zoals het tegenwoordig heet, iconisch beeld. Weer thuis ging ik er wat meer onderzoek naar doen. In de kringloopwinkel ging ik er nog vanuit dat hij door een oorlogsfotograaf was genomen, zoals je nu neutrale journalisten hebt die zich in strijdgewoel begeven. Maar die foto blijkt door de nazi’s zelf gemaakt. Pas jaren na de oorlog werd de foto wereldberoemd, nadat hij in de documentaire Nuit et Brouillard te zien was geweest en een rol speelde in een film van Bergman.

De foto is afkomstig uit het zogenaamde Stroop-Bericht, een rapport dat door Höheren SS- und Polizeiführer Jürgen Stroop (op de foto hierboven is Stroop de derde van links) (Blösche, over wie ik het verderop nog zal hebben, staat rechts) voor Reichsführer SS Heinrich Himmler werd gemaakt over de ontruiming van het ghetto van Warschau, op zwaar en sjiek papier, ingebonden in echt leder, dat hij kreeg aangeboden onder de triomfantelijke titel Es gibt keinen jüdischen Wohnbezirk — in Warschau mehr! Uitroepteken!

In de late zomer en het vroege najaar van 1942 waren ongeveer een kwart miljoen inwoners van het ghetto naar de Umschlagplatz gebracht en vandaar in treinwagons ‘naar het oosten’ vervoerd, elke dag weer zo’n zes- tot zevenduizend onschuldige burgers. Het ‘oosten’ was in dit geval het slechts tachtig kilometer verderop gelegen dorpje Treblinka, waar naast een bestaand werkkamp een speciaal vernietigingskamp was gebouwd. Daar werden al die mensen direct na aankomst vermoord.
In het ghetto bleven enkele tienduizenden mensen wonen en die begrepen al snel wat er met de anderen moest zijn gebeurd; niet alleen wist een enkeling op het laatste moment aan de moordenaars te ontkomen en kon getuigenis afleggen, ook werd er van iedereen die naar de Umschlagplatz was gegaan (aanvankelijk gingen mensen ‘vrijwillig’ omdat ze bijvoorbeeld de belofte kregen dat hun gezin bij elkaar kon blijven, of omdat ze eindelijk weer eens te eten zouden krijgen) of onder dwang gebracht, nooit meer iets vernomen.
Geen wonder dat zich in het ghetto een ondergrondse beweging vormde, die zich met hulp van buiten mondjesmaat wist te bewapenen. Het kwam begin 1943 tot een heuse opstand en het was Himmler zelf die een dag voor de verjaardag van de Führer op 19 april 1943 de opdracht gaf voor een Große Aktion die voor eens en voor altijd een einde moest maken aan het ghetto van Warschau. Daartoe werd dus Jürgen Stroop (geboren als Josef, maar hij veranderde om ‘levensbeschouwelijke redenen’ zijn naam in Jürgen) naar de Poolse hoofdstad gestuurd, die daar een klein legertje samenstelt, bestaande uit Waffen-SS-ers, Wehrmachtsoldaten en Poolse politie-agenten.
In het zogenaamde Stroop-Bericht doet de bevelhebber hoogstpersoonlijk verslag van deze Großaktion.
Het boekwerk begint met een getypte lijst namen van tussen 22 april 1943 en 13 mei 1943 ‘in de strijd bij de vernietiging van Joden en Bandieten gevallen’ SS-ers: vijftien man in totaal en als je de Poolse politieman die blijkbaar ook het loodje legde erbij optelt zestien — de vergelijking met Mein Kampf dringt zich op, dat boek is immers opgedragen aan de nagedachtenis van zestien ‘Blutzeugen’ die voor de nationaal-socialistische zaak zijn gevallen bij Hitlers mislukte putsch op 9 november 1923, om 12:30 in de middag.

Dan komt een eindeloze lijst van de gewonden die van dag tot dag gevallen zijn bij de ontruiming van het ghetto van Warschau, gevolgd door een beknopte beschrijving van de geschiedenis van de joodse gemeenschap in Warschau en de manier waarop de nazi’s na de bezetting van de stad zo’n vierhonderdduizend mensen concentreren in een afgescheiden jüdische Wohnbezirk van tien vierkante kilometer (ter vergelijking: in de stad Utrecht wonen op een tien keer zo grote oppervlakte minder mensen), waar rond de 27.000 huizen stonden, met gemiddeld tweeëneenhalve kamer. In elke kamer leefden dus gemiddeld bijna zes mensen. Hier wordt ook verteld dat tussen 22 juli en 3 oktober 1942 de ‘Aussiedlung’ van 310.322 inwoners van het ghetto plaatsvond. De ‘evacuatie’, dus, die in feite massamoord was. De meeste van deze mensen werden in Treblinka vergast.
Niet alleen inwoners uit Warschau zelf, ook ‘Untermenschen’ uit de rest van Polen en andere gebieden in het Rijk werden samengebracht in het ghetto.
De actie onder leiding van Stroop begint als ‘Polnische Banditen und Juden’ in april 1943 met brandbommen de binnenkomst van twee pantserwagens en een tank weten tegen te houden — Stroop bracht vervolgens een heel leger op de been om orde op zaken te stellen. Stroop kan zich al snel met geen mogelijkheid voorstellen dat elders in de wereld een grotere chaos heerst dan in de Wirrwarr van het ghetto van Warschau, waar ‘terroristen’ er in slagen om met behulp van chemicaliën molotovcocktails te fabriceren, zich verschansen in huizen en gebouwen, gewapend met binnengesmokkelde vuurwapens, waar hij met zijn tweeduizend man, pantserwagens, artillerie, vlammenwerpers en later zelfs luchtsteun nauwelijks tegenop kan.
Onthutst stelt hij vast dat zijn manschappen in het doolhof van de stad nog regelmatig bunkers voor ‘reiche Juden’ tegenkomen.
Onderaan pagina 7 schrijft Stroop dat mensen die reeds naar Lublin respectievelijk Treblinka ‘verlagert’ waren bij de vorige grote actie, soms kans hebben gezien terug te keren naar het ghetto en zich hebben bewapend.
Gedurende de nieuwe actie blijkt dat joodse jongemannen, ondersteund door jonge vrouwen, zich steeds heviger tegen de nazi’s verzetten en dat zij er regelmatig voor kiezen liever zelfmoord te plegen dan zich over te geven. Jürgen (geboren Josef) Stroop kan er met zijn verstand niet bij.
Het geduld van Stroop en de zijnen raakt op en daarom besluiten ze tot radicalere maatregelen. Ze gaan vuurgevechten uit de weg door systematisch alle gebouwen waarin zich mensen zouden kunnen verschuilen in brand te steken. Dan kunnen de dappere Duitse strijders van een afstandje toekijken tot de mannen, vrouwen en kinderen in doodsnood de kelders ontvluchten uit angst levend te verbranden. Er zijn ook mensen die matrassen uit het raam gooien en van de daken springen. Stroop stelt hoofdschuddend achter zijn typemachine vast dat ze dan nog met hun gebroken botten proberen huizen te bereiken die nog niet in brand staan.
Op 16 mei besluit Stroop het rapport met de mededeling dat de Großaktion tegen verzetshaarden in het ghetto op die dag om 20:15 uur is beëindigd met het opblazen van de Synagoge (iets wat de dag ervoor niet was gelukt) — het mag een wonder heten dat die synagoge er op dat moment überhaupt nog stond. Waarschijnlijk heeft Stroop tot laat in de avond zitten typen, op zijn machine met een speciale toets voor SS, want hij ondertekent het document op die datum.
Hij doet nog de suggestie om op het terrein van de voormalige gevangenis een concentratiekamp te maken, waar het puin van het ghetto tot herbruikbaar bouwmateriaal kan worden omgevormd, wat inderdaad zal gebeuren: in het jaar daarop zullen door dwangarbeiders 34 miljoen bakstenen uit het puin worden gehaald en schoon gebikt.
Dan volgen in het Stroop-Bericht de dagrapporten die in zijn geheel worden overgenomen en maakt Stroop op 24 mei 1943 de definitieve balans op.

[Toch ook interessant, deze lijst met ingezette manschappen tijdens de ‘actie’, want in Duitsland geloven nog steeds veel mensen dat de SS wel betrokken was bij oorlogsmisdaden en de Wehrmacht niet. Dus wel, ze hielpen bij de moordpartij in het ghetto van Warschau.]
Van de ‘56.065 Juden’ zijn ca. 7.000 in het ghetto zelf vernietigd (dat betekent in dit geval doodgeschoten, van wie de meesten niet in vuurgevechten, maar in koud bloed geëxecuteerd: mannen, vrouwen en kinderen, zoals uit foto’s van lijken blijkt die verderop in het rapport zijn opgenomen) en door ‘transport naar T II’ zijn nog eens ‘6.929 Juden vernichtet’, zodat in totaal 13.929 mensen zijn ‘vernietigd’ en nog eens 5 tot 6.000 mensen door ontploffingen en als gevolg van vuur omgekomen. Ook de rest van de mensen zal omkomen, maar dat vermeldt hij niet. Deze 42.000 werden uiteindelijk vermoord in het kamp Madjanek bij Lublin.
In beslag genomen werden 7 Poolse geweren, 1 Russisch geweer, 1 Duits geweer, 59 pistolen van verschillende kalibers. Verder nog handgranaten van Poolse makelij en allerlei zelfgebreide explosieven.
Alles bij elkaar geen indrukwekkende lijst: een maand lang met een volledig uitgerust leger van tweeduizend man vechten tegen vermoedelijk hooguit zeshonderd lichtbewapende en uitgehongerde burgers. Stroop ziet zelf ook wel dat dit weinig heldhaftig overkomt en vermeldt daarom ook nog dat veel wapens van de tegenstander in het ongerede moeten zijn geraakt.
Voorts werd er baar geld in diverse valuta buitgemaakt, alsmede 240 oude wapenrokken, 600 oude broeken en 108 paarden, waarvan 4 in het oude ghetto, waar zij de lijkenwagen trokken, aldus Stroop, terwijl toch bekend is dat de door honger, vlektyfus en aan het geweld der nazi’s gecrepeerde inwoners van het ghetto met handkarren werden afgevoerd.
Dat de inwoners van het ghetto met hulp van het Poolse verzet met niet meer dan een handvol wormstekige geweren en roestige pistolen weken stand wisten te houden tegen een compleet leger van de Waffen-SS bewijst maar weer dat de joden bepaald niet ‘als makke lammetjes gewoon door de gaskamers werden gejaagd’ (in de woorden van Forum voor Democratie-senator Toine Beukering).
Wat opvalt is Stroops totale gebrek aan contemplatie over de reden waarom mensen in het ghetto zich zo heftig verzetten en liever zelfmoord pleegden dan op transport te worden gesteld. Ook stelt Stroop zich nergens een vraag over het waarom van deze grote actie en geeft hij nergens blij van een besef van eigen verantwoordelijkheid. Het moet gebeuren, waarom dat zou me worst wezen.
Nergens een kanttekening bij de honderden, uiteindelijk duizenden doden (soms op één dag meer dan 150) die aan de kant van de tegenstander vallen en de schamele vijftien doden aan eigen kant — de disharmonie wordt gezien als een teken van dapperheid in plaats van lafheid, want ze vechten immers tegen ‘Juden, Banditen und Untermenschen’?
Ik heb, bij het licht van mijn laptop, lang zitten nadenken over die opmerking van Stroop dat vanwege een transport naar ‘T II’ nog eens ‘6.929 Juden vernichtichtet’ waren. Wat is T II? vroeg ik me af. Een andere Umschlagplatz? Heb ik ergens iets gemist? Vermoeid bladerde ik terug in het pdf-file met de getypte tekst van Stroop, maar ik kwam er eerst niet achter wat hij met die afkorting kon bedoelen.
De oplossing was niet zo moeilijk: eerst was er een concentratiekamp dat Treblinka heette, later een vernietigingskamp met dezelfde naam en daar verwijst Stroop dus naar, met z’n T II.
Niet alleen de opmerking van Stroop over Treblinka 2, het tweede kamp op die plek dat nadrukkelijk niet als concentratiekamp maar als vernietigingskamp werd gebouwd, maar ook zijn hele opstelling in het rapport (waarom doen die lui zo moeilijk?) verraadt dus wat Stroop heel goed wist: deze mensen zullen hoe dan ook sterven, dus waarom zou hun strijd hier, hun dood hier, ten koste moeten gaan van het leven van zijn kameraden? Als die lui nou gewoon zouden meewerken, scheelt dat ons een hoop ellende en gedoe en dood gaan ze toch, is het niet ter plekke door een kogel in hun nek, dan in T II en anders in wel Lublin.
Stroop was pas kort voor de actie van april 1943 naar Warschau gekomen en wist dus een maand later dat in het tweede kamp van Treblinka mensen werden ‘vernietigd’ — het is vaak moeilijk bewijsbaar gebleken dat hoge nazi’s op de hoogte waren van de vernietigingskampen, maar in het Stroop-Bericht staat het gewoon zwart op wit.
Deze actie leidde ertoe dat Stroop wegens dapperheid werd gedecoreerd met het IJzeren Kruis, Eerste Klasse.
Het rapport wordt afgesloten met een vijftig pagina’s tellend Bildbericht waarin ook de foto van het jongetje staat. Anders dan de deeltitels in het rapport, die met gotische fraktur-letter zijn gekalligrafeerd, zijn de foto-onderschriften geschreven in het zogenaamde Sütterlin, een in 1911 door grafisch ontwerper Ludwig Sütterlin bedacht Pruisisch schoonschrift voor het onderwijs, gebaseerd op oude voorbeelden. Het voor de buitenstaander vrijwel onleesbare schrift werd onder de nazi’s in 1935 tot het nationale schrift van het Derde Rijk verheven, en de ouderwetse Fraktur werd het officiële lettertype voor drukwerk van de overheid. In 1941 kwam Hitler er achter dat historisch onderzoek uitwees dat beide fonts potverdorie SchwabacherJudenlettern waren en moesten voortaan alle teksten en opschriften gezet worden uit het op Romeinse lettervormen gebaseerde lettertype Antiqua worden gezet.
Opmerkelijk genoeg zijn de fotobijschriften in het Stroop-Bericht van twee jaar later nog vrolijk in Sütterlin geschreven, de titelpagina is in een Fraktur gekalligrafeerd.

Het onderschrift van de beroemde foto van het jongetje luidt: Mit Gewalt aus Bunkern hervorgeholt. Deze onschuldige burgers, vrouwen en kinderen, zouden ‘met geweld’ uit ‘de bunkers gehaald’ zijn. Zo zien ze er niet uit, bepakt en bezakt als ze zijn. Eerder lijken ze uit hun huizen gejaagd, waar ze al maanden in angstige afwachting zaten.

Stroop probeerde met dit onderschrift de heroïek van zijn actie te onderstrepen, maar de foto werd juist een icoon voor het tegendeel.
Een man die na de oorlog gelijk met Stroop in Polen terechtstond, SS-Hauptsturmführer Franz Konrad, beweerde tijdens het proces dat hij de foto had gemaakt. Hij zei dat het zijn bedoeling was om met zijn foto’s de vreselijke praktijken in het ghetto aan de kaak te stellen. Met zijn fotografische bewijsmateriaal wilde hij zich persoonlijk bij de Führer vervoegen om die op de hoogte te stellen van de gruwelen die uit zijn naam werden begaan.

Het verhaal van Konrad was niet erg waarschijnlijk, hij staat namelijk zelf op de foto’s die hij gemaakt zou hebben (hierboven links, met rechts van hem Stroop), maar vooral gezien zijn staat van dienst als de man die belast was met de ‘Werterfassung’ van het ghetto; de administratie van de kostbaarheden die werden buitgemaakt. Duizenden joodse dwangarbeiders gingen in opdracht van Konrad alle huizen van het ghetto langs om alles van waarde weg te roven. Alles werd gesorteerd en in enorme pakhuizen opgeslagen. De buit werd naar Duitsland gebracht, of in Polen verkocht, waarbij Konrad naar goede nazi-gewoonte een deel van de opbrengst in eigen zak stak. Zodra je je verdiept in het levensverhaal van één enkele SS’er kom je er achter dat al die verhalen over hun trouw en discipline fabeltjes zijn: ik ben er nog geen een tegengekomen die niet corrupt was of een dief, los van de op bevel van hoger af of op eigen initiatief gepleegde oorlogsmisdaden. Dankzij de systematische diefstal kwam Konrad aan zijn bijnaam Der Warschauer Ghettokönig. In januari 1943 leidde Konrad persoonlijk Himmler rond in zijn pakhuizen in Warschau en toonde hem naar verluidt onder meer een schilderij van Vermeer, een hal waar meer dan tweehonderd piano’s en vleugels waren verzameld en een ruimte met vijftigduizend stuks speelgoed, bedoeld voor Duitse kinderen elders in het Rijk. Hij schrok er niet voor terug om burgers die hij ervan verdacht dat ze waardevolle spullen achterhielden eigenhandig door het hoofd te schieten.
Tijdens het proces vroeg de rechter hem waarom hij van plan was geweest juist Adolf Hitler middels zijn foto’s op de hoogte te stellen van de wreedheden in het ghetto. Lag het voor hem als bekende en ondergeschikte van Himmler niet meer voor de hand zich tot de Reichsführer-SS te wenden?
Himmler wist wat er was gebeurd, die had Stroop immers met het IJzeren Kruis Eerste Klasse beloond voor de actie in het ghetto, antwoordde Konrad. Dus Himmler had deze wandaden goedgekeurd.
Stroop werd uiteindelijk veroordeeld voor zijn aandeel in de moord op het precieze aantal mensen dat hij heel behulpzaam zelf in zijn rapport had opgeteld: ‘56.065 Juden’, ook al probeerde hij zich nog te verdedigen met een beroep op de Haagse Conventie. Hij vertelde dat Himmler hem eerder had duidelijk gemaakt dat de Duitsers volgens dit verdrag gerechtigd waren zogenaamde franc-tireurs standrechtelijk te executeren, wat overigens volgens die conventie uit 1899 niet is toegestaan. Een franc-tireur is iemand die tegen een vijandelijk leger strijdt, maar zelf geen soldaat is en ook niet als zodanig herkenbaar is.
De openbaar aanklager van de Poolse rechtbank wees Stroop erop dat iemand die zich op internationale vredesverdragen beroept zelf ‘schone handen moet hebben, uw handen dropen van het bloed.’
Op 7 maart 1952 werden Stroop, de schrijver van het trotse rapport dat hem mede fataal werd, en Konrad, de koning van het ghetto en de vermeende maker van de beroemde foto, bij zonsondergang opgehangen in de Mokotów Gevangenis in Warschau — niet ver van de plek waar ze hun misdaden hadden begaan.

De foto van de jongen werd in de loop van de decennia dus een belangrijk symbool voor de Shoah (the Holocaust in one picture) en los van de picturale kwaliteit van het beeld is dat misschien wel een gevolg van wat je niet ziet, maar wel weet. We kennen allemaal de afloop van dit verhaal.
Frans Kellendonk heeft een essay geschreven dat voor mij met de iconische kracht van deze foto verband houdt en dat gaat over het Tweede Gebod: ‘Gij zult u geen godenbeeld maken, noch enig beeld van wat in de hemel is daarboven, op de aarde beneden, of in het water onder de aarde.’
Kellendonks onderwerp is het maken van idolen, van kunst in het algemeen en om de ‘afbeeldingen’ die door de literatuur worden gemaakt in het bijzonder. Hij stelt: ‘Het realisme veinst een weerspiegeling van de werkelijkheid te zijn, maar stiekem gaat het afbeelden precies andersom.’
Afbeeldingen beïnvloeden volgens hem dus de werkelijkheid. Het beeld komt zelfs in de plaats van de werkelijkheid. Zijn idee laat zich misschien goed illustreren door het feit dat we vaak juist herinneringen denken te hebben aan taferelen uit onze vroegste jeugd die toevallig zijn gefotografeerd. Het is andersom: zonder de foto’s zouden onze herinneringen niet bestaan. We herinneren ons niet wat er is gebeurd, maar we weten nog wat andere mensen later hebben gezegd over wat er op die foto’s te zien is.
Dat maakt deze foto misschien ook sterk als beeld voor de Holocaust: we zien niet het allerergste en dit beeld beschermt zo de werkelijkheid die we allemaal kennen: dat al die onschuldige mensen, zoals alle slachtoffers van de nazi-terreur op zijn best van honger en uitputting stierven en anders een nekschot kregen, werden doodgeslagen, levend in het vuur werden gegooid of stikten in de gaskamer.
Veel mensen hebben in de loop van de decennia geclaimd of aangegeven dat zij de jongen op de foto kennen, dan wel die jongen (zouden kunnen) zijn — maar nooit is het bewezen. Veel van de andere mensen op de foto zijn ook min of meer geïdentificeerd, maar in feite weten we maar van één iemand 100% zeker wie het is en dat is de belangrijkste volwassene op de foto: de ss-er met de motorbril op zijn helm. Hij heet Josef Blösche en stond bekend als de schrik van het ghetto, vanwege zijn wreedheid. Hij was 1 meter 69 lang en toen de foto werd gemaakt 31 jaar oud. Aangezien we hem op andere foto’s met Stroop zien overleggen en aangezien Blösche al lang in het ghetto werkzaam was, kun je er wat mij betreft vanuit gaan dat ook hij wist wat het lot was van de mensen die ‘met geweld uit hun bunkers’ waren gehaald: die werden ‘vernietigd’ aan het eind van hun treinreis.
Hij stond daar dus met zijn automatische wapen een kind onder schot te houden van wie hij wist dat het hoe dan ook binnen afzienbare tijd zou sterven.

Josef Blösche werd op 5 februari 1912 geboren in het dorpje Friedland in Sudentenland als Josef Oskar Blösche. Er is zelfs een biografie over hem geschreven: Der SS-Mann van Heribert Schwan en Helgard Heindrichs. Over het jongetje zijn trouwens minstens twee boeken geschreven: A Child at Gunpoint van Richard Raskin en The Boy van Dan Porat.
Er zijn veel getuigen die verklaren over Blösche dat hij het ghetto inging om daar lukraak mensen dood te schieten. Daar zitten soms getuigenissen bij die overdreven klinken (dat hij vooral zwangere vrouwen als slachtoffer zou hebben uitgekozen), maar het zijn er zoveel die specifiek over hem gaan, dat het niet anders kan of er moet iets van waar zijn, vooral omdat dit verhaal juist over hem wordt verteld en niet over andere nazi’s. Even los van de wreedheden die hij buiten dienstverband zou hebben gepleegd en waarvoor we als bewijs alleen de getuigenissen van overlevenden hebben, zijn er bovendien genoeg bewijsbare misdaden tegen de menselijkheid waaraan hij heeft meegewerkt.
Hoe gehaat Blösche in Warschau heeft hij zelf eens verteld, want kort na de actie die een einde maakte aan het ghetto, was hij met zijn toenmalige vriendin in de stad aan het wandelen toen er een aanslag op hem werd gepleegd: op klaarlichte dag werd hij waarschijnlijk door de zoon van een Poolse professor (maar dit kan natuurlijk ook anti-intellectuele nazi-propaganda zijn), met meerdere kogels van dichtbij neergeschoten. Het was aan de snelle reactie van een andere militair te danken dat hij meteen naar een lazaret werd gebracht en het overleefde. De vermoedelijke dader werd achterna gezeten en ter plekke gedood.
Zoals veel oorlogsmisdadigers probeerde hij, toen tot hem doordrong dat de oorlog echt was verloren, zo snel mogelijk te doen of hij ‘een gewone soldaat’ was geweest: hij gooide zijn wapens, onderscheidingen en alle insignes en andere kenmerken die hem als lid van de SS en de SD markeerden in de sloot en werd gevangen genomen door de Russen, volgens zijn levensbeschrijving in Der SS-Mann op nog geen honderd kilometer van zijn geboorteplaats Friedland, maar hij heeft met andere Duitse krijgsgevangenen een voettocht van honderden kilometers voor de boeg die hem richting Wenen voert. Tijdens verhoren geeft hij er nooit blijk van dat hij in de oorlog bij de SS zat — hij fabuleert over een eenheid van de Wehrmacht, op grond van informatie die hij om zich heen hoort van andere gevangenen.
Er volgt een periode waarin Blösche van het ene naar het andere Russische kamp wordt gesleept, maar uiteindelijk komt hij na treinreizen van duizenden kilometers terecht in een Tsjechisch krijgsgevangenkamp, op een paar honderd kilometer afstand van de plek waar hij vandaan komt. Daar wordt hij tewerkgesteld in een kolenmijn.
Als zijn hoofd klem komt te zitten tussen de liftcabine en de bodem van de mijn raakt zijn gezicht ernstig misvormd en op het oog onherkenbaar beschadigd. Deze verminking is er misschien mede de oorzaak van geweest dat hij, nadat hij was enigszins van zijn verwondingen was hersteld en uit krijgsgevangenschap ontslagen werd, een normaal bestaan kon opbouwen. Hij blijft nog een tijdje in de mijn werken en vertrekt dan in september 1947, zonder zich af te melden, vermoedelijk in een poging zo min mogelijk sporen naar zijn oorlogsverleden achter te laten.

Zijn ouders waren net als drie miljoen andere Sudetenduitsers en andere minderheden na de oorlog uit Tsjecho-Slowakije verjaagd. Ze hadden zich noodgedwongen gevestigd in het Duitse (later Oost-Duitse) Urbach.
Een week nadat hij de mijn had verlaten, klopte Blösche bij zijn ouders in Urbach aan. Ze zullen hem niet herkend hebben, maar geweten hebben dat hij het was.
Aan het begin van het volgende jaar vindt hij een baan bij een kalimijn, een kilometer of vijftig verderop. Hij maakt daar snel carrière en valt, een enkel incident daargelaten, op door zijn betrokkenheid en bereidheid uitgevallen diensten van anderen in te vullen. Zijn arbeidsethos was blijkbaar onveranderd: net als in het ghetto was Blösche een harde werker, die deed wat hem werd gezegd.
Hij vertelde later dat hij als SS’er bij het doorzoeken van een gebouw in het ghetto waar de bewoners waren uitgejaagd iemand had aangetroffen. Iedereen die geen gehoor had gegeven aan het bevel het pand te verlaten werd beschouwd als een bandiet die ter plekke moest worden doodgeschoten. Blösche verklaarde dat hij dat ook in dit geval had gedaan, ook al betrof het een baby die hij in een groot bed had aangetroffen en die hij drie maanden oud schatte: het kind kreeg een kogel door het hoofd.
Hoe wanhopig moet een moeder zijn die haar kind alleen achterlaat — het voorval geeft een idee van hoe zowel de SS als de bewoners van het ghetto de overlevingskansen inschatten van iedereen die op transport werd gezet: nihil.
In Urbach trouwt Blösche met Hanna, een vrouw die een tweejarige dochter had van een soldaat die nooit terugkeerde uit de oorlog. Hun trouwfoto is een montage van een portret van Hanna zoals ze was en een portret van Blösche van voor de oorlog, zonder uniform en voor zijn gezicht vervormd werd.
Blösche was als een vader voor het eerste kind van Hanna en samen kregen ze ook nog twee kinderen. Ze werken hard en zijn geliefd in Urbach. Hanna zal later verklaren dat als op de televisie de oorlog ter sprake komt haar man snel het toestel uitzet en even naar buiten loopt, maar dat ze verder nooit iets aan hem heeft gemerkt.
Het duurt tot eind jaren zestig voor de West-Duitse justitie Blösche op het spoor komt en via via de Oost-Duitse justitie op de hoogte wordt gebracht van het feit dat er een nooit berechte van oorlogsmisdaden verdachte man in het vredige Urbach woonachtig is.
Iedereen die hem kent is verbijsterd, dit moet een vergissing zijn. Deze aardige kerel die elke dag keurig in zijn Trabant naar het werk gaat, die vriendelijk is, collegiaal, ijverig en sociaal. Een huisvader die alles voor zijn gezin over heeft, dat kan toch onmogelijk een oorlogsmisdadiger zijn?
De Oost-Duitse instanties deden onderzoek naar Blösche en in plaats van hem aan West-Duitsland uit te leveren, besloten ze hem zelf te berechten. Zijn ondervragers lieten hem op 12 januari 1967 achterop een kopie van de beroemde foto schrijven:
De op de fotokopie aan de ommezijde afgebeelde persoon in SS-uniform, met het machinegeweer in de aanslag en met een motorbril op de stahlhelm, ben ik. Deze foto toont mij als lid van de Gestapo in het ghetto van Warschau, met een groep ss-ers tijdens een deportatie-actie.
Hij was natuurlijk kansloos tegen het Oost-Duitse justitiesysteem, dat de rechtszaak gebruikte als anti-fascistische, maar ook anti-Westerse propaganda. Het was onvermijdelijk dat hij in Oost-Duitsland de doodstraf kreeg en die had hij eind jaren zestig in West-Duitsland zeker niet meer gekregen, want die was in 1949 afgeschaft.
In het boek van Porat over het jongetje op de foto las ik dat Blösche voor het vuurpeloton stierf, maar dat blijkt niet te kloppen, het communistische regime had een ‘humanere’ manier ontwikkeld om de doodstraf te voltrekken, zelfs voor oorlogsmisdadigers van het kaliber Blösche.
Al tijdens de Franse Revolutie ontstond er behoefte aan een humane manier om een medemens van het leven te beroven. In 1789 diende de parlementariër Joseph-Ignace Guillot een wetsvoorstel in dat er voor moest zorgen dat de doodstraf humaan en voor iedereen op dezelfde wijze werd voltrokken: ‘de misdadiger zal worden onthoofd; dit dient te geschieden door middel van een simpel mechaniek.’ Hij stelde voor daarvoor een machine te gebruiken die al sinds de Middeleeuwen in Europa bekend was, maar die voortaan guillotine genoemd werd. De gebroeders De Goncourt vonden de reclame voor de menselijke moordmachine overtrokken en dreven er de spot mee: ‘De wijze van terechtstellen die ik heb uitgevonden is zo zachtzinnig dat, als men niet verwachtte te sterven, men niet anders zou kunnen zeggen dan dat men slechts een lichte koelte in de nek meende te hebben gevoeld.’
Tot 1967 werden in de DDR ter dood veroordeelden onthoofd met behulp van de Fallschwertmaschine. De veroordeelde werd op zijn buik op een bed gelegd en dat werd onder deze moderne variant van de guillotine gereden, de bijl viel, het hoofd werd van de romp gescheiden, de dood trad in en twee medewerkers hielden het lichaam aan de benen omhoog om het te laten leegbloeden. Het tweedelige lichaam werd in een kist gelegd en naar het crematorium gereden, waar de verbranding van het lijk gedurende het eerste halfuur plaatsvond in aanwezigheid van twee officiële getuigen van Justitie. De as werd vervolgens op een anoniem deel van de begraafplaats bijgezet. Daarna werd de familie op de hoogte gesteld van de doodsoorzaak, die ook in in de overlijdensakte stond: ‘acuut hartfalen’. Wat natuurlijk niet helemaal gelogen was.
Net in de tijd dat de zaak tegen Blösche speelde koos Oost-Duitsland voor een nog ‘humanere’ manier om het doodvonnis te voltrekken: het unerwarteter Nahschuss in das Hinterhaupt. Daarover las ik in de biografie van Blösche.
In de vroege ochtend van dinsdag 29 juli 1969 werd Blösche naar de gevangenis aan de Arndtstrasse in Leipzig gebracht. Daar werd in het bijzijn van onder anderen een officier van justitie, een arts en de gevangenisdirecteur zijn identiteit vastgesteld. Vervolgens kreeg hij te horen dat zijn gratieverzoek aan de voorzitter van de Staatsraad van de Deutsche Demokratische Republik tevens Eerste Secretaris van het Centrale Comité van de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands, Walter Ulbricht, was afgewezen (een formaliteit) en werd zijn vonnis nog eens voorgelezen. Hij kreeg de kans een afscheidsbrief aan zijn vrouw en kinderen te schrijven. Dat deed hij niet, misschien omdat hij wist dat die brief nooit zou worden bezorgd maar slechts zou worden toegevoegd aan zijn strafdossier. Ook werd hem gevraagd of hij nog een laatste wens had.
Een sigaret?
Iets eten?
Een glas bier?
Hij had geen laatste wens.
Met achter zijn rug gebonden handen werd hij door twee bewakers een betegelde cel ingeleid waar hij even moest wachten op de voltrekking van zijn straf. Ongetwijfeld verkeerde hij in de veronderstelling weldra in een volgende ruimte oog in oog met zijn beul te staan. Wat hij niet wist dat in de kamer waar hij zich nu bevond de beul zich al verborgen hield en hem direct op kousenvoeten van achteren volgde om hem, nog voor hij zich had kunnen afvragen wat er nu zou gebeuren en hoe lang hij op zijn executie moest wachten, zonder dat hij er erg in had met een nekschot te doden (het dossier spreekt van een doodstrijd van 15 tot 22 seconden).
Het lijk werd nadat het was uitgebloed in een vurenhouten kist gelegd en met een Barkas B1000, de bekende Oost-Duitse, enigszins bollige bestelwagen, naar het crematorium van het Südfriedhof gebracht en daar verbrand.

Terug naar de foto die Blösche wereldfaam bracht — het gaat dus om wat je op die foto niet ziet: de verschrikkelijke dood van al deze mensen.

Ik denk dat de meeste volwassenen zich er al bij neer hadden gelegd dat dit het begin van een snel einde was, maar zoiets vertel je niet aan de kinderen, je zorgt dat kinderen hoop houden, lijkt mij. Je wilt dat je kinderen door de dood zullen worden overvallen, dat ze niet beseffen dat ze gaan sterven. De dood moet een mysterie blijven, de dood moet geen gezicht krijgen dat onder een stahlhelm met motorbril zichtbaar is.
Het jochie in de voorgrond ziet er heel bang uit, maar achter hem zie je boven zijn opgeheven rechterhand het gezicht van een ander jongetje en ik moet mij wel erg vergissen als hij zijn tong niet uitsteekt.

