Wurm

Dit vind ik leuk en ook nog eens goed – natuurlijk kunnen moderne kunstenaars enorm ergerlijk theoretiseren over hun werk, maar Erwin Wurm zegt ware dingen en hij heeft nog humor ook.

Ik kwam hem ooit op het spoor dankzij deze clip van de Red Hot Chili Peppers, geregisseerd door Mark Romanek.

Hier een kijkje in het atelier en in het vette huis en het smalle huis.

De beul van Amersfoort

Op vrijdag 26 juni 2015 bezocht ik met een paar goede vrienden (allemaal historici, of werkzaam in de geschiedenis) Kamp Amersfoort. Het was een van de tussenstops tijdens een fietstocht van Station Amersfoort naar de Pyramide van Austerlitz — even daarvoor hadden we het Belgenmonument bekeken.

IMG_2209.jpegTerwijl we in het bezoekerscentrum van Kamp Amersfoort over een maquette gebogen stonden, sprak een gids ons aan en legde uit wat we zagen: daar was de Rozentuin en hier tussen deze barakken wachtte Kotälla, de beul van Amersfoort, de gevangenen op met zijn honden. Berucht en gevreesd was de schop die hij mensen tussen de benen gaf, de Kotälla-trap. ‘De knuppel waarmee hij mensen in elkaar sloeg, komt u verderop in de tentoonstelling tegen.’
In de vitrine die de gids bedoelde zagen we die knuppel liggen — het blijft vreemd om in een museumopstelling spullen te bekijken die niet mooi zijn en nooit mooi zullen worden.
Terwijl de gids ons voorging naar buiten, fluisterde ik tegen een van mijn vrienden: ‘Bestaat er eigenlijk een biografie van die Kotälla?’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Er schijnt iemand mee bezig te zijn. Je krijgt wel medelijden met zo’n vent. Al die ellende doorspitten bij het NIOD.’

Ik had op dat moment net Remington gepubliceerd en was bezig met de drukproeven van Goldberg. Ik had een plan voor het volgende boek dat ik wilde schrijven, maar die wrede beul van een Kotälla bleef me bezighouden. Ik kwam er natuurlijk snel achter dat hij een van de vier/drie van Breda was geweest en dat hij in het proces dat tegen hem was gevoerd de doodstraf had gekregen, wat later was omgezet in levenslang. Die straf zat hij met andere Duitse oorlogsmisdadigers voor het grootste deel uit in de Koepelgevangenis van Breda — en bij hem als enige was die straf ook daadwerkelijk levenslang gebleken; hij stierf in 1979 in gevangenschap.
De Duitse autoriteiten en media zagen de vier/drie van Breda graag als ‘krijgsgevangenen’, maar het waren toch echt oorlogsmisdadigers. De Duitse term NS-Verbrecher is nog beter op zijn plaats: Lages, Aus der Fünten, Fischer en Kotälla pleegden hun misdaden ver weg van het slagveld, je zou kunnen zeggen onder ‘vredestijd’, onder het wettelijke gezag dat tijdens de bezetting in ons land was gevestigd, uit naam van het nationaal-socialisme.

De Duitse oorlogsmisdadigers kregen in de jaren zestig en zeventig gaandeweg hun detentie steeds meer vrijheid. Ik las dat Kotälla, die veroordeeld was voor de medeplichtigheid aan tientallen moorden, in zijn cel maanvissen ging kweken en daar heel succesvol in was; de jonge vissen werden via een cipier verkocht aan een dierenwinkel in Breda en de opbrengst ging naar Kotälla.
Het was denk ik deze anekdote die me ertoe aanzette daadwerkelijk aan een roman over Kotälla te beginnen, al zag ik na een halfjaar wel in dat het verhaal over de maanvissen toch vooral een soort mop is: als de clou is verteld, sta je met lege handen.
Interessanter was een andere geschiedenis die ik tegenkwam in de uitstekende studie De drie van Breda van Hinke Piersma: Dries van Agt wilde als jonge minister van Justitie onder minister-president Biesheuvel in 1972 de drie van Breda vrijlaten, nadat diverse rechterlijk instanties hem daartoe hadden geadviseerd. Hij was niet de eerste minister die zich met deze heikele kwestie bezighield. Maar in de Tweede Kamer kon hij, zo leerde een rondgang langs de fracties, op dat moment op een meerderheid rekenen. Toen het nieuws bekend werd, brak er enorme onrust uit in Nederland; het debat dat twee weken later plaatsvond zou het eerste zijn dat live werd uitgezonden op televisie en Van Agt was in die twee tumultueuze weken zijn meerderheid in de Kamer kwijtgeraakt.
Die twee weken vormen nu de kern van de roman die ik schrijf (maar er gebeurt nog een heleboel omheen).
Ik kwam er ook al snel achter wie de ‘ongelukkige’ was die zich in het leven van Kotälla aan het verdiepen was: Richard Hoving, een historicus die als journalist bij het AD werkzaam is en eerder een boek publiceerde over de naoorlogse tijd van Kamp Amersfoort, Het ‘foute’ kamp.
Via via zocht ik een paar jaar geleden contact met Hoving en sindsdien hebben we elkaar een paar keer ontmoet. Regelmatig mailen we elkaar. Inmiddels was ik met een van de geschiedenisvrienden die ik eerder noemde het NIOD geweest en daar had ik op mijn eigen, bescheiden wijze onderzoek gedaan en al wat dingen gevonden die ik nog nergens anders had gelezen. Laten we vooropstellen dat Hoving oneindig veel meer over Kotälla weet dan ik, maar in onze gesprekken merkte ik natuurlijk wel dat ik aardig kon meekomen en dat ik wat dingen wist die niet algemeen bekend zijn, bijvoorbeeld dat die umlaut op de a eigenlijk onzin is: Kotalla was de naam.
Een roman is natuurlijk iets anders dan een biografie, want het een kan goed als bron voor het ander dienen en niet andersom en ik ben blij dat Hoving (ik mag Richard zeggen) eerder klaar is dan ik.

kotalla

Hedenmiddag hoopt Hoving in Groningen te promoveren op De beul van Amersfoort, Biografie van Josef Kotalla (1908-1979). Volgens mij zit die promotie wel snor. Ik heb het boek ademloos gelezen en met bewondering vastgesteld hoe Hoving erin is geslaagd om van de eendimensionale beul een mens van vlees en bloed te maken. Ik heb nooit medelijden met Kotalla gevoeld, maar ik had zelf al uitgevonden dat hij alles wat hij na de oorlog in zijn schoenen geschoven kreeg nooit allemaal gedaan kon hebben. Nu ik dit boek heb gelezen voel ik nog altijd geen medelijden met Kotalla, maar wel ben ik ervan overtuigd geraakt dat hem geen recht is gedaan.
Ik heb veel respect voor de manier waarop Hoving zich in zijn onsympathieke onderwerp heeft verdiept: op zoek naar de waarheid was geen moeite hem teveel. Hij weet objectief te blijven, waardoor je als lezer in de gelegenheid wordt gesteld je eigen oordeel te vormen. Hij kent uiteraard alle literatuur, heeft op allerlei manieren (en tot aan marktplaats.nl aan toe) brieven, dagboeken, artikelen, verslagen, psychiatrische rapporten en andere stukken boven water gehaald, waaronder het archief dat Kotalla zelf bijhield in de gevangenis. Daarnaast heeft hij mensen gesproken die Kotalla of zijn naasten hebben gekend en heeft hij de plaatsen bezocht die een rol speelden in zijn leven. Ondanks het schaarse bronnenmateriaal is Hoving er in geslaagd het leven van Kotalla voor de oorlog in kaart te brengen. Als je die eerste hoofdstukken leest, zie je de inwoners van het Silezische industriestadje Bismarckhütte, waar Kotalla werd geboren, tot speelbal van de geschiedenis (of geopolitieke bewegingen) worden. Je leest daar ook over het ongeluk waarbij Kotalla als kind een hersenbeschadiging opliep die de rest van zijn leven mede zou bepalen.
De verhalen over de oorlog kende ik deels al, maar eigenlijk alleen de verschrikkelijke dingen die Kotalla deed (en soms niet deed!) en die keer op keer uitgebreid worden beschreven als het over hem gaat.
Hoe zijn loopbaan in Nederland verliep was tot nu toe echter slechts in grote lijnen bekend, evenals de psychose die hij kreeg, zijn opname in het Wester Gasthuis, zijn tijd in het Oranjehotel in Scheveningen en zijn eerste huwelijk met de dochter van een aldaar werkzame vrouwelijke collega. Dat alles is nu door Hoving tot een coherent verhaal gesmeed dat misschien niet Kotalla’s ongekende wreedheid verklaart, maar wel inzichtelijk maakt hoe hij in een machtspositie terechtkwam en zich daar kon handhaven.
Het uitgebreidst behandelt Hoving de periode na de oorlog, beginnend bij de poging van Kotalla om in het uniform van een onderhoudsmonteur van de Luftwaffe te ontsnappen en eindigend bij zijn dood in gevangenschap in 1979. De tientallen jaren daartussen heeft de Nederlandse rechtspraak en politiek in mijn ogen ernstig gefaald. Dit kun je na lezing van dit boek vaststellen zonder iets af te doen aan de gruweldaden van Kotalla.
Ik moest regelmatig denken aan de uitspraak van Abel Herzberg (overlevende van Bergen-Belsen) ten tijde van gratiëring van Willy Lages (waarbij de doodstraf werd omgezet in levenslange gevangenisstraf): ‘Niet dus om Willy Lages, maar ter willen van onszelf kreeg hij genade.’
Na lezing van De beul van Amersfoort krijg je soms het gevoel: wat hebben wij in het geval van de vier/drie van Breda tegenover een systeem van complete rechteloosheid gesteld? Herzberg waarschuwde dat we ‘wat wreedheid betreft niet in concurrentie met de nationaal-socialisten’ moesten treden. De oorlogsmisdadigers werden eindeloos vastgehouden om de gevoelens van overlevenden, slachtoffers en nabestaanden te beschermen en hoewel de gevangenen dankzij de Nederlandse politiek regelmatig zicht kregen op invrijheidstelling, was er geen minister die het waagde zijn carrière voor hen op te offeren.
Vrijwel elk argument om de oorlogsmisdadigers in Breda vast te houden, ook toen ze oud en ziek waren, kwam toch neer op: oog om oog, tand om tand. De arts (de internist J.F.Ph. Hers) die door de commissie van oud-verzetslieden was aangesteld om een oog op de gezondheid van de drie van Breda te houden (en eventueel tot vrijlating te adviseren, mocht de medische toestand van een van de gevangenen zo slecht zijn dat het waarschijnlijk was dat hij binnen afzienbare tijd dood zou gaan), formuleerde het zo: ‘De duizenden gevangenen in de Duitse kampen mochten ook niet naar huis om te sterven.’

Een andere vraag die ik mezelf stelde tijdens het lezen van dit boek was of Kotalla ook maar een vlieg zou hebben kwaad gedaan als de oorlog niet was uitgebroken. Dat is natuurlijk wat-als-geschiedenis, en ik bedoel het zeker niet als apologie, maar het lijkt me relevant om te constateren dat het nazi-systeem slechtheid en geweld aanmoedigde en dat een type als Kotalla, een man die zelfs door zijn jongere broers niet voor vol werd aangezien, een zwakkeling die in het ‘normale’ bestaan zou zijn weggekwijnd of een onopvallend leven aan de rand van de samenleving had geleid, bij de SS carrière kon maken en zelfs kon uitgroeien tot de officieuze tweede man van een concentratiekamp waarin duizenden mensen werden vastgehouden en honderden mensen vermoord.
Ook de levens van de andere oorlogsmisdadigers die in Kamp Amersfoort werkten spreken niet tot de verbeelding: een schaapherder, een werkeloze bouwvakker — ze kregen aanzienlijke macht in het kamp, terwijl ze buiten het kamp waarschijnlijk niet erg vooruit zouden zijn gekomen. Ironisch genoeg (en kenmerkend voor Kotalla’s narcistische kijk op de wereld) beklaagde Kotalla zich er kort na de oorlog over dat hij niet door ‘echte politiemannen werd verhoord maar door “communisten”, bakkers, schoenmakers’ — alsof hij zelf zoveel voorstelde voor hij zich in 1939 als dertiger aanmeldde bij de waffen-SS.
Voor mij is dit boek natuurlijk een fundgrube, want eindelijk beschik over een compleet overzicht over het leven van een van de belangrijkste figuren uit mijn roman, maar ik denk ook dat iedereen die geïnteresseerd is in geschiedenis, de oorlog en vooral de nasleep daarvan dit boek zou moeten lezen — het nodigt bovendien uit om na te denken over oorlog, misdaad, rechtvaardigheid, wraak en menselijkheid.

Kippen (vervolg)

Nog even over mijn vorige stukje: dit gaat natuurlijk niet over een farm, een boerderij en ook niet over een boerenbedrijf. Op een paar honderd meter van de Peel staat gewoon een kippenfabriek waar dieren op industriële wijze worden ‘geproduceerd’ – met landbouw heeft dit natuurlijk niks te maken. Dan kun je nog op een trekker rijden, maar een boer ben je in mijn ogen niet.

Kippen

Deze zomer was ik een paar dagen in de buurt van de Peel. Ik wandelde met de hond over een pad tussen het natuurgebied en een enorm maïsveld. Een man uit de buurt vertelde mij dat waar nu maïs werd verbouwd tot voor kort grasland was waar koeien graasden. De melkveehouder van wie de grond was had geen opvolger en probeerde zijn bedrijf te verkopen, zonder veel succes. Uiteindelijk had hij het geluk dat zijn bedrijf te dicht bij de Peel was gevestigd en werd hij uitgekocht door de overheid, ik neem aan de provincie. De boer had meer dan honderd koeien en kreeg een paar duizend euro per stuk, begreep ik van de man uit de buurt.

Ik vroeg hem naar zeven kippenschuren die verderop stonden, maar een meter of driehonderd van het natuurgebied. Dat bedrijf viel net buiten de grens en kon dus blijven. Hij vertelde dat er in die zeven schuren 450.000 kippen werden gehouden. Ik denk dat in een cirkel van vijf kilometer rond die farm niet meer dan tienduizend mensen wonen. En dan 450.000 kippen op een oppervlakte van twee voetbalvelden? Ik was er al een paar keer langs gekomen: zeven stallen met silo’s ervoor, een woonhuis erbij, twee of drie auto’s en een heftruck, een fietsenrek met een paar fietsen. Die 450.000 kippen werden zo te zien gehouden door een echtpaar en een stuk of wat knechten.

Ik kan het bijna niet geloven, zei ik.

Toen vertelde de man dat die 450.000 kippen binnen zes weken worden geslacht en dan komen er 450.000 nieuwe kuikens. Dat maakt dus, op die ene boerderij in Noord-Brabant ongeveer drie miljoen kippen per jaar. 3.000.000 kippen.

Best veel, als je het mij vraagt.

Telefoon

Af en toe kijk ik een stukje van een debat in de Tweede Kamer en dan valt het altijd weer op hoeveel mensen ‘op hun telefoon zitten’, in de niet-letterlijke betekenis (want anders zou het mij ook niet altijd weer opvallen). Kamerleden, woordvoerders, fractieleiders en zelfs bewindslieden lijken soms meer geïnteresseerd in wat er op hun schermpje staat dan in de vergadering van de volksvertegenwoordiging waar ze deel van uit maken.

Natuurlijk zullen ze af en toe ruggespraak hebben met fractiemedewerkers of ambtenaren maar ik vind het in de eerste plaats een verkeerd signaal:  het boeit niet wat er hier gezegd wordt. Ik sta zelf soms voor een zaal te spreken en dan merk ik dat het mij even van mijn stuk brengt als ik iemand bezig zie op een telefoon.

Bovendien denk ik — hoewel ik me best kan voorstellen dat er via mail, sms en whatsapp of signal voor het debat interessante dingen en relevante stukken worden uitgewisseld — dat het de kwaliteit van het debat hoe dan ook niet ten goede zal komen. De bedoeling van een vergadering lijkt me ook dat er door de aanwezigen over een kwestie wordt beraadslaagd en dus niet door mensen die er niet zijn (‘zonder last of ruggespraak’, nietwaar?) en dat die beraadslagingen binnen de openheid en geslotenheid van die vergadering plaatsvinden. Niet voor niets worden vergaderingen soms geschorst om aanwezigen de gelegenheid te bieden buiten de vergadering onderling te overleggen en een fractiestandpunt te bepalen.

Natuurlijk moet het parlement niet blijven hangen in ouderwetse gebruiken en moet ook de volksvertegenwoordiging mee met de tijd, maar ik vind dat we moet waken voor het uithollen van een instituut als de Kamer. Het heeft een functie dat iedereen daar in een ruimte lijfelijk aanwezig is en van gedachten wisselt en  dat bewindslieden daar lappen tekst voorlezen die ze net zo makkelijk als een pdf-je in de groepsapp zouden kunnen zetten.

Denk je eens in dat bij een andere zaak van nationaal belang, laten we zeggen het Nederlands elftal (m/v), spelers voortaan een telefoon in hun tenue mogen meenemen.

Er wordt iemand onderuit geschoffeld, de scheidsrechter gaat de VAR raadplegen en alle spelers grijpen hun telefoon. Er is gescoord, de maker van het doelpunt trekt niet zijn/haar shirt uit, maar grijpt gereglementeerd naar haar/zijn telefoon om een selfie te maken voor de tribune vol Oranjefans. Er komt een vrije trap aan en in afwachting van het fluitsignaal kijkt iedereen of zij/hij nog berichtjes heeft van de coach, medespelers of familie. De keeper die weinig te doen heeft, staat terwijl de aanval op de andere helft aan de gang is tegen de doelpaal geleund en een reeks emoji’s te sturen naar de kinderen thuis. De eenzame spits in de punt van de aanval checkt de mail even omdat hij een belangrijk bericht van zijn/haar manager verwacht en die lange bal in haar/zijn richting zo te zien nog lang niet komt. De trainer en de technische staf zitten de hele wedstrijd op hun schermpjes te kijken, andere wedstrijden te volgen, hun correspondentie bij te werken, spelletjes te spelen, te Netflixen en instructies naar de spelers te appen.

Is er iemand die denkt dat — ook al kan de trainer heel nauwkeurige instructies naar de spelers sturen  — dat een team dat even voor een vrije trap massaal op zijn/haar telefoon kijkt beter zal spelen dan hetzelfde team zonder wifi?

Naschrift

Ik zocht even een plaatje van de premier die zijn telefoon raadpleegt en toen bleek dat hem over deze kwestie zelfs al vragen zijn gesteld en toevalligerwijs over een minister die tijdens de Algemene Beschouwingen naar een voetbalwedstrijd zat te kijken.

Trompet

Er zijn veel prachtige trompetsoli, vooral in de jazz. Denk aan  ‘It Never Entered My Mind’ van Miles Davis.

En Clifford Brown die in zijn solo in Helen Merrills uitvoering van ‘Don’t Explain’ plotseling een stukje ‘Round Midnight’ speelt.

Of deze van Lester Bowie (met Fred Williams op bas).

In de popmuziek zijn soli op de trompet minder zeldzaam dan je misschien zou denken, neem deze solo op de flügelhorn van Michael Morreale in ‘Not Here, Not Now’ van Joe Jackson.

En de solo van Chet Baker in ‘Shipbuilding’ van Elvis Costello (komt aan het eind terug).

David Sylvian vroeg altijd goede en experimentele trompettisten voor zijn albums, zoals Mark Isham en Jon Hassell. En Kenny Wheeler, een van de beste flügelhornspelers die ik ken. Dit is ‘I Surrender’ (het ritme van dit nummer is een sample van ‘He Knows You Know’ (een geweldig nummer!) van The Mahavishnu Orchestra dat ik een andere keer zal posten). Nu eerst Sylvian met wijlen Wheeler (voor de ongeduldigen, de solo begint na ruim zes minuten).

In de klassieke muziek zijn er natuurlijk talloze solistische trompetpartijen (denk aan het tweede Brandenburgse Concert, waarvoor Bach heel goed naar ‘Penny Lane’ heeft geluisterd) en zelfs complete concerten (Haydn, Hummel), maar niets ontroert mij toch zo als de natuurtrompet in de basaria van Handel uit de Messiah, die ook nog eens zijn titel mee heeft: ‘The Trumpet Will Sound’.

Hier bas David Thomas met trompettist Michael Laird (dat denk ik, hij is een van de pioniers op de oude trompet zonder ventielen). De aria begint ongeveer op 1:52:00 — ik zie trouwens geen reden waarom je niet deze hele Messiah zou kijken en luisteren. Het is een registratie uit 1982, opgenomen in Westminster Abbey, met dezelfde club als die twee jaar eerder de eerste en nog steeds de beste ‘authentieke’ Messiah opnam: de Academy of Ancient Music onder leiding van Christopher Hogwood, het Choir of Westminster Abbey (onder leiding van organist Simon Preston) en de solisten Emma Kirkby en Judith Nelson (sopraan), Carolyn Watkinson (alt), Paul Elliott (tenor) en dus David Thomas (bas).

Saeta

51EOzRo5TkL

Dit weekend vond ik op een rommelmarkt een in Frankrijk geperste plaat van ‘de la plus grande chanteuse de flamenco de tous les temps’. Geen idee dat dit La Niña de Los Peines (1890-1969) was. Haar bijnaam betekent ‘Het kleine meisje met de kammen’, misschien omdat ze al als achtjarige optrad met aha! twee grote kammen in haar haar. Ze zingt onder andere een ‘Saeta’, dat blijkt een stuk te zijn dat in de Goede Week vanaf een balkon wordt gezongen, terwijl een processie met trommels en trompetten voorbij trekt.