De voortdurende wedergeboorte van de nietlezer

Wat mij betreft hoeven we niet eeuwig te blijven kissebissen over Aan het einde van de oorlog, maar laat ik er nog een paar woorden aan wijden, als antwoord op de reacties op mijn eerdere stuk en Stolks repliek.

Stolk positioneert zichzelf nadrukkelijk als lezer die recht heeft op autonomie. Dat kan ik natuurlijk alleen maar met hem eens zijn. In een van de reacties onder mijn stuk meent Marc Kregting dat ik in mijn stuk de dood van de lezer aankondig. Mij gaat het echter eerder om de voortdurende wedergeboorte van de nietlezer.

Kregting heeft, zoals de meeste mensen die reageren, mijn roman niet gelezen. Huub Beurskens kent Aan het einde van de oorlog evenmin en schrijft op zijn weblog dat hij:

‘juist mee kan gaan in Stolks verslag van zijn lectuur, ja, meen ik niet minder te kunnen volgen waarom Stolk, afgezien van zijn fysieke ongemak, dat boek niet ten einde gelezen heeft…’

In hoeverre Stolk recht doet aan mijn boek kan Beurskens als nietlezer van mijn boek natuurlijk onmogelijk beoordelen.

In die zin aanschouwen we dus de voortdurende hergeboorte van de nietlezer, mensen die denken: ik hoef dat boek niet te lezen, want ik denk te weten of heb erover gelezen dat het niet goed is. Ik schreef al eerder over de neiging van schrijvers om boeken ongelezen te laten en er wel over te oordelen.

Ik ben het volkomen met Stolk eens dat een lezer geheel zelf moet weten welke boeken hij leest en of hij die boeken uitleest en wat hij van die boeken vindt. Zelfs nietlezers staat het vrij om mijn boek bagger te vinden, maar… zodra iemand over zo’n boek gaat schrijven, op een andere plek dan in een particulier, ongepubliceerd dagboek, bijvoorbeeld in een krant, of op een weblog, dan is iemand niet langer alleen een lezer, maar een schrijver! Als ik zo’n stuk lees, ben ik dan weer lezer.

Het lijkt er echter op dat Stolk ervan schrok te worden aangesproken op zijn stukken, die hij eenvoudigweg samenvat als ‘een verslag van mijn ervaringen bij het lezen van Natters roman’, ondanks de waardeoordelen die er in worden gegeven: ‘oeverloos’, ‘’schier eindeloos uitgewalste’, ‘universele, stugge, grijze lexicon’, ‘te platte, te kartonnen personages’, ‘het plotje’, etc. Hij acht zijn twee stukken samen ‘een evident persoonlijk relaas’. Daarmee bedoelt hij kennelijk dat het doordat het zo particulier is, ik me er niet door in mijn wiek geschoten zou hoeven voelen.

Ik, Natter zelf dus, beschouw Natters roman evenzeer als een ‘een evident persoonlijk relaas’, sterker nog: voor mij is die roman, zou men kunnen zeggen, meer dan dat, het is niet louter ‘een verslag van mijn ervaringen’, maar eerder ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’.

Als schrijver moet ik al sinds mijn debuut accepteren dat ik allerlei kwalificaties over mijn werk lees, waarbij het adagium geldt: stilzitten als je wordt geschoren. Meestal onderga ik kritiek lijdzaam, in het geval van Fabian Stolk niet, de toon van zijn stuk stond me niet aan, onder andere doordat hij een essentiële scène als nietszeggend (lees: overbodig) afdeed en over (op zich komisch) ‘tante Pollewop’ begon. Het meest stoorde mij het idee dat mijn boek beter zou zijn geweest als het anders in elkaar had gezeten en met de helft was ingekort. Ik schreef een stekelig stuk terug. En zie: degene die mijn boek aanviel, voelt zich aangevallen!

Van mij mag een lezer en zelfs een nietlezer van mijn boeken vinden wat hij vindt, maar als iemand die kritiek openbaar maakt, of het nu in een krant is of op een weblog, behoud ik mij het recht voor iets van die kritiek te vinden.