Klasse! over Aan het einde van de oorlog

Fabian Stolk heeft op zijn weblog Klasse! een stuk in twee delen geschreven over mijn roman Aan het einde van de oorlog. Hij vertelt trots hoe hij bij het kopen van mijn roman hooghartig het gratis Boekenweekgeschenk afslaat — als je zijn stuk hebt gelezen, denk je onwillekeurig: misschien had hij met dat dunnetje wel meer plezier gehad dan met mijn turf. 

Ik ken Fabian Stolk sinds 2008, toen hij me uitnodigde voor een leesclub van neerlandici aan de Universiteit van Utrecht, daar was hij destijds aan verbonden als docent Moderne Nederlandse Letterkunde. Hij was een van de bezorgers van de definitieve editie van de gedichten van Achterberg, over die prachtuitgave hoor je geen kwaad woord van mij. Klaarblijkelijk is hij, anders dan ik, nog altijd een liefhebber van mijn debuut Begeerte heeft ons aangeraakt, dat destijds in die leesclub werd besproken. 

Op zijn weblog schrijft Fabian Stolk aan het eind van zijn tweede (!) bijdrage over Aan het einde van de oorlog:

Ik wou dat de roman anders in elkaar was gezet en met ongeveer de helft was ingekort, zelfs als het de bedoeling was dat de lengte van de roman, de duur van de vertelling, een afbeelding zou zijn van dat wat die roman wil betekenen, een afbeelding van waar het in de roman in wezen om gaat.

Schrijf zelf een roman die anders in elkaar is gezet, zou ik zeggen. Dat om te beginnen. Ik bepaal hier nog altijd hoe mijn romans in elkaar steken en dat hoeft niet iedereen te waarderen, maar de suggestie die van deze woorden uitgaat, dat mijn boek blijkbaar beter zou zijn geworden van een ingreep, zonder dat er ook maar een hint wordt gegeven van wat die ingreep dan zou behelsen, vind ik te verwaand voor woorden. Wat halen mensen zich toch in hun hoofd als ze denken dat ze een roman met een of andere ingreep wel eventjes zullen verbeteren? Ze zijn net voetbalverslaggevers die tegen een speler zeggen: ‘Als je die strafschop aan het begin van de tweede helft niet had gemist, had je een heel andere wedstrijd gehad.’ Inderdaad, een wedstrijd die er nooit is geweest en die er nooit ook zal zijn. We zullen het moeten doen met Aan het einde van de oorlog zoals die roman is — het is ondenkbaar dat dit boek een andere vorm zou hebben, geloof me. Dit is het, er bestaat geen wereld waarin dit boek anders is dan het is en het had dus ook niet anders kunnen zijn.

Erger nog is natuurlijk de wens van Fabian Stolk dat het boek ‘met ongeveer de helft was ingekort’. Dat is een bizar idee, zeker van iemand die zich professioneel met literatuur bezighoudt. Het is net zo stompzinnig als over een schaakwedstrijd beweren dat die beter zou zijn geweest als die ‘met ongeveer de helft was ingekort’.

Er schuilt een simplistische redenering achter, namelijk dat boeken van verschillende omvang alleen in dikte van elkaar verschillen. Dat een dik boek waar je de helft uit haalt ongeveer hetzelfde boek zou opleveren, maar dan dunner. Dat is apekool en dat weet iedereen die ooit een roman heeft geschreven of geredigeerd. Het is alsof je beweert dat Achterberg zijn sonnetten ook wel tot kwatrijnen had kunnen inkorten. En dat hij zijn kwatrijnen had kunnen opblazen tot sonnetten. Het is onzinnig en getuigt van weinig inzicht in het scheppen van een literaire tekst.

Je hebt zeer korte verhalen, korte verhalen, verhalen, lange verhalen, novelles, korte romans, romans, lange romans, tweedekkers, trilogieën en romanreeksen. Daarbij is het niet zo dat je van een zeer kort verhaal door er maar genoeg woorden aan toe te voegen best een trilogie kan maken. Dat je Op zoek naar de verloren tijd van Proust kunt reduceren tot een ZKV van A.L. Snijders. Het zijn niet alleen boeken die verschillen in omvang, in feite behoren ze tot andere genres, het een is geen dunnere of dikkere versie van het ander.

Ik spreek hier ook als een redacteur die weet dat je met de kaasschaaf maximaal 10% van een boek kunt verwijderen, in het geval van Aan het einde van de oorlog zou dat betekenen: vier regels van elke bladzijde schrappen. Ik zou zeggen: probeer het eens, gewoon met een potloodje vier regels van elke bladzijde doorstrepen zonder dat het geheel er onder lijdt, kijken op welk moment je in problemen komt. Stel dat het lukt, dan zou daarmee het boek dus in plaats van op 640 bladzijden uitkomen op 576. Er bestaat een kans dat het geheel dan nog ongeveer hetzelfde zou werken, maar ik betwijfel het. Waarschijnlijk zouden er een paar karakters (dit keer figuurlijk) moeten sneuvelen. Meer dan 10% op deze manier schrappen is sowieso onmogelijk zonder er een geheel ander boek van te maken. Als je de helft wilt schrappen van zo’n complexe en tegelijk strak gecomponeerde roman, gaat dat onherroepelijk ten koste van personages, verhaallijnen en de organisatie. Dus als iemand beweert dat de helft van een boek er wel uit had gekund, spreekt hij over een boek dat niet alleen niet bestaat, maar dat opnieuw helemaal niet kan bestaan. Stel dat mijn uitgever het zou hebben voorgesteld en ik was ervan overtuigd dat het boek niet werkte, dan zou ik in dit geval hebben gezegd: ik schrijf wel een nieuw boek van ca. 320 bladzijden, want dat is minder werk dan hier de helft uithalen, daar heb ik eenvoudigweg de hersencapaciteit niet voor.

Hoe dan ook heeft Fabian Stolk meer dan 3.000 woorden nodig om uit te leggen dat mijn boek te dik is. Had dat niet korter gekund? 

Uiteindelijk vindt hij het een te dik, verkeerd in elkaar gestoken, saai en larmoyant geheel. Dat mag. Tegelijk zoekt hij iets wat hij niet zal vinden. Ik licht er een opmerking uit:

De dood van dat op zich onschuldige joch staat waarschijnlijk ook voor wat anders, kan fungeren als spiegel van de totale ellende van de mens. 

Hoezo zou de dood van die jongen voor iets anders staan dan de dood van die jongen? Ik aarzel een beetje om Susan Sontag te citeren, want ik schrijf niet voor De Groene, maar laat ik het toch even doen (uit: Against Interpretation, 1964):

The interpreter says, Look, don’t you see that X is really – or, really means – A? That Y is really B? That Z is really C?

En verderop zegt ze:

In a culture whose already classical dilemma is the hypertrophy of the intellect at the expense of energy and sensual capability, interpretation is the revenge of the intellect upon art.

In mijn boek staat gewoon wat er staat, het is geen allegorie, het is geen waarschuwing, al mogen lezers zich vrij voelen om er van alles in te lezen — maar mijn boek wordt niet ‘beter’ door wat anderen erin menen te zien en het is zeker niet zo dat er eigenlijk of waarschijnlijk iets anders wordt bedoeld. Het probleem is: Fabian Stolk weet van te voren eigenlijk al dat hij die bejubelde dikke pil niets zal vinden. Hij weigert zich te laten meeslepen, vat het lezen van mijn boek op als een corvee en leest alleen met zijn hoofd en niet met zijn hart. Dus maakt hij zich druk over het feit dat de kopregeltjes vaak worden gevolgd door een herhaling van de naam die al vetgedrukt staat en soms ook nog de plaats:

KARL IN DE VESTIBULE VAN DE KOMMANDATUR 
            Terwijl hij in de vestibule staat, hoort Karl hoe…

Op zich aardig dat iemand hierover begint, want zoals opvalt, springt dat kopregeltje uit en niet in. Dat uitspringen betekent voor mij (dit heeft dus wel een ‘diepere’ betekenis): dit regeltje hoort eigenlijk niet bij de tekst, het valt deels buiten de bladspiegel om aan te geven dat het alleen een hulpmiddel is voor de lezer, net zoals de paginacijfers niet bij de tekst horen en bijvoorbeeld ook niet de kopregels in kleinkapitaal die je bovenaan de pagina’s van delen uit Privé-Domein ziet staan, daar denk je ook niet de hele tijd: nu weet ik wel dat ik IK HOUD NOG VEEL VERBORGEN — BRIEVEN aan het lezen ben.

Ik geeft toe dat het subtiel is, maar als ik mijn eigen boek lees, zie ik die kopregels niet eens meer. Voor de correcties heb ik ze speciaal stuk voor stuk gecontroleerd omdat ik er blind voor was. Maar je zou het boek dus zonder die regeltjes ook kunnen lezen: alle informatie die daarin staat, vind je ook in de tekst.

Fabian Stolk meent ook nog dat ik slachtoffers tekort doe:

Alleen de anonieme duizenden, tienduizenden gevangen zijn niet aan deze duiding onderhevig; maar zij komen bijna niet ter sprake en krijgen al helemaal nauwelijks tekst of focalisatie; zij zijn een anonieme massa.

Dit is gewoon flauwekul, Fabian Stolk zit niet op te letten, hij is veel te druk met zich ergeren, want van de 31 in zijn ogen ‘te platte, te kartonnen personages’ die we volgen en op wie ook wordt scherpgesteld zijn er elf gevangenen, meer dan eenderde van de ‘cast’ kortom. Die krijgen dus zoveel reliëf in mijn vertelling, dat het Fabian Stolk niet eens opvalt dat ze deel uitmaken van die ‘anonieme massa’. Daartegenover staan tien SS’ers en een vrouw in dienst van de SS. Ten slotte zijn er nog acht familieleden, omstanders en medeplichtigen, plus één soldaat van het Rode Leger.

Ondanks alles wat ik heb aan te merken op wat Fabian Stolk zegt, moet ik toegeven dat hij gelijk heeft als hij opmerkt:

Het lijkt bij vlagen een kasteel- of een streekroman of iets anders van lowbrowgarnituur.

Dat mijn boek kenmerken heeft van de soapachtige romcoms die UfA (‘Hitlers Hollywood’) in de jaren 1933-1945 produceerde, lijkt me zonneklaar. De romantische komedie Wunschkonzert uit 1940 is een kenmerkend voorbeeld van zo’n nazi-film die me heeft geïnspireerd.

Daarom heb ik van Herbert iemand gemaakt met aspiraties in de filmwereld, hij vergelijkt Christine notabene met ‘Kristina Söderbaum’! Dat ‘blonde stuk’ dat in de typische nazi-speelfilm Opfergang uit 1944 speelt. De speelse scène van hem en Annemarie in de keuken met de ui had zo uit zo’n draak kunnen komen, net als hun slotscène. Ik snap niet dat een lezer wel gaat zitten gissen naar waar de dood van Ernst voor zou kunnen ‘staan’, maar niet deze toch kraakheldere verwijzing naar een genre opmerkt en vervolgens doet alsof hij zo’n verfijnde smaak heeft dat hij kan onthullen dat mijn boek bij vlagen ‘van lowbrowgarnituur’ lijkt.

Het is een hopeloos beroep, schrijver: je geeft aanwijzingen en ze worden niet gezien, je bedoelt er verder niets mee en er wordt een levensfilosofie achter vermoed.

Stolk eindigt zijn bespreking (van een boek dat hij niet eens heeft uitgelezen of -geluisterd, ik zou het niet durven om daar in het openbaar mijn mening over te geven) met de constatering die ik hierboven al citeerde, namelijk dat mijn boek te dik is. Dan volgt de uitsmijter:

De avonden telt toch ook maar 222 pagina’s.

Ja, klopt. Het ligt een beetje aan welke uitgave je hebt, natuurlijk. Mijn nieuwe boek Zonderhond telt slechts 126 pagina’s, maar desondanks zou ik puur op grond van dat feit alleen niet durven beweren dat De avonden te dik is.