Zwagerman & Rothko, Mozart & Beethoven

Recensie: De stilte van het licht – Joost Zwagerman – Boekenkrant – Alles  over boeken

In zijn postuum verschenen essaybundel De stilte van het licht schreef Joost Zwagerman (1963-2015) een essay over de Amerikaanse kunstenaar Mark Rothko (1903-1970). Ik las daarin een door Joost vertaald citaat van Rothko dat nogal vreemd op mij overkwam.

Voor ik verder ga, wil ik zeggen dat ik Joost een beetje kende. Ik voel meer dan tien jaar na zijn dood nog altijd sympathie voor hem en ik vind het jammer dat ik hem nooit meer tegenkom. Tijdens een etentje of borrel was hij het beste gezelschap denkbaar. 

Als het over dit specifieke essay gaat, moet ik bovendien kunsthistoricus Benno Tempel citeren, die op de site van het Literatuurmuseum vertelt over de gesprekken over kunst die hij met Joost voerde. Tempel gaf blijkbaar ooit de opdracht om een essay over Rothko te schrijven en het ging niet goed met Joost toen hij ermee aan het werk ging:

Op een dag kwam hij naar me toe om te vertellen dat hij een soort reuma had die op zijn ogen sloeg. Hij wist niet of hij het stuk kon schrijven. Ik zei toen: neem je tijd. Hij heeft het wel gered uiteindelijk. Het werd een stuk waarin hij zocht naar de diepte en zwaarte, het transcendente van de kunst. Ik ben ervan overtuigd dat zijn fysieke aandoening hem enorm heeft aangegrepen. Dat hij minder scherp werd, zijn ogen hem in de steek lieten en dat hij het schrijven niet langer dan een kwartier volhield. De lange adem voor een roman had hij niet meer.

Ondanks deze treurige omstandigheden zal ik zeggen wat ik vind van dat door Joost vertaalde citaat, want dit essay over Rothko is meerdere malen en op verschillende plekken gepubliceerd en diverse mensen zullen het professioneel hebben gelezen, geredigeerd en gecorrigeerd. Blijkbaar heeft niemand gedacht: wat beweert Rothko hier volgens Joost nu eigenlijk?

In het essay verbaast Joost zich erover dat Rothko, de schepper van verstilde en vaak als existentieel ervaren zwevende kleurvlakken, ‘in zijn atelier’ ‘vrijwel altijd naar Mozart’ luisterde. Vervolgens citeert hij Rothko zelf:

Het soortelijk gewicht van mijn doeken verleent toegang tot de kijker. Vergelijk het met muziek. Het soortelijk gewicht van Mozart kun je niet vergelijken met dat van Beethoven. In al zijn muziek toont Mozart zich zowel heldhaftig als ironisch. Beethoven heeft de ironie van een kinkel op een boerenerf. Denk ik aan Beethoven, dan vraag ik me af: hoe kan een mens in zijn composities op de wereld reflecteren zonder enige vorm van heroïek? Het ontbrak Beethoven aan iedere denkbare vorm van heldhaftigheid. Mozart bezat die heroïek wel.

Beethoven zou niet heroïsch zijn en Mozart wel? Is het niet eerder andersom? Heeft Rothko überhaupt wel eens naar de muziek van die twee geluisterd? Alleen al de door Beethoven zelf gegeven of gesanctioneerde titels van sommige werken, zoals de Sinfonia Eroica en de Grande Sonate Pathétique, doen toch al vermoeden dat de componist het grote gebaar niet schuwde? Ik las dit vertaalde citaat van Rothko en ik snapte er niets van. Ben ik de enige? dacht ik, of lezen de meeste mensen gewoon door?

Ik wilde weten hoe Rothko dit zelf precies had gezegd. Uiteindelijk vond ik de kennelijke bron. Een deel van dit citaat is althans te herleiden tot een bundel met Rothko’s teksten, getiteld Writings on Art. Het gaat om een antwoord dat de kunstenaar gaf op een vraag uit het publiek over het formaat van zijn schilderijen, nadat hij een lezing voor het Pratt Institute had gegeven in november 1958:

Since I am involved with the human element, I want to create a state of intimacy — an immediate transaction. Large pictures take you into them. Scale is of tremendous importance to me — human scale. Feelings have different weights: I prefer the weight of Mozart to Beethoven because of Mozart’s wit and irony and I like his scale. Beethoven has a farmyard wit. How can a man be ponderable without being heroic? This is my problem. My pictures are involved with these human values. 

Het kan natuurlijk zijn dat Rothko ooit dit spontane antwoord in een ander stuk verwerkte, of dat hij al eerder zoiets elders had opgeschreven. Er zou dus een tekst van Rothko kunnen bestaan die ongeveer over hetzelfde gaat en die Joost letterlijk heeft vertaald, maar dat lijkt mij sterk, zeker vanwege de zin: ‘Beethoven has a farmyard wit/Beethoven heeft de ironie van een kinkel op een boerenerf.’ Ik kan me niet voorstellen dat die andere tekst bestaat en ik ga er vanuit dat Joost de oorspronkelijke tekst die ik vond nogal vrij heeft vertaald. 

Letterlijk vertaald staat er volgens mij ongeveer dit:

Aangezien ik me bezighoud met het menselijke, wil ik een gevoel van intimiteit creëren – een directe interactie. Grote schilderijen trekken je naar binnen. Maatvoering is voor mij van enorm belang – de menselijke maat. Gevoelens hebben een verschillend soortelijk gewicht: ik geef de voorkeur aan het gewicht van Mozart boven dat van Beethoven vanwege Mozarts geestigheid en ironie, en ik hou van de maat waarop hij werkt. Beethoven is boerenslim. Hoe kan een mens beschouwelijk zijn zonder heroïsch te worden? Daarmee hou ik me bezig. Mijn schilderijen houden verband met deze menselijke waarden.

De verschillen tussen het origineel, mijn vertaling en wat Joost ervan maakt zijn opmerkelijk. Joost lijkt het begin van het citaat te hebben omgevormd en er aan het eind iets aan vast te hebben geplakt, in de geest van Rothko, of in wat hij meende dat in de geest van Rothko was. In het midden worden de woorden van Rothko ronduit verdraaid.

Van dat hele citaat klopt eigenlijk niets, zowel niet naar de letter als naar de geest.

Om te beginnen heeft Rothko het dus over: ‘Beethoven has a farmyard wit’ en vertaalt Joost dat met: ‘Beethoven heeft de ironie van een kinkel op een boerenerf.’ Wat Beethoven reduceert tot een lomperik. Eerder lijkt Rothko toch te bedoelen dat Beethoven een soort van boerenslim is, wat niet perse negatief is, maar het is een boerenslimheid die hij tegenover Mozarts geestigheid en ironie stelt: ‘I prefer the weight of Mozart to Beethoven because of Mozart’s wit and irony and I like his scale.’ Joost maakt daarvan: ‘In al zijn muziek toont Mozart zich zowel heldhaftig als ironisch.’ Hij vertaalt ‘wit’ dus als ‘heldhaftig’ en hij slaat het element van de ‘scale’ van het werk van Mozart over, terwijl dat juist het onderwerp is (de vraag waar Rothko antwoord op gaf, gaat immers ook over het formaat van diens werk).

Bij Mozart denk je nooit: nu weten we het wel, maar bij Beethoven bekruipt die gedachte mij in ieder geval regelmatig. De meeste composities van Mozart hebben een overzichtelijk formaat, ze zijn behapbaar, op misschien de grote opera’s, een enkel pianoconcert en de laatste symfonieën na. Bij hem kun je al luisterend overzicht houden, zelfs als je een stuk niet kent. In die zin houdt Mozart dus de menselijke maat aan. Maar wie kan Beethovens grote werken als de Negende Symfonie overzien, of de Hammerklavier Sonate, of de meer dan een kwartier durende Grosse Fuge, ooit bedoeld als slotdeel van zijn toch al uit de voegen barstende Dertiende Strijkkwartet dat ook zonder die fuga al driekwartier duurt? Collega Diabelli vroeg tijdgenoten om één variatie te schrijven op een door hem gecomponeerd thema en Beethoven schreef er meteen maar 33, die samen een uur duren. Tegen de tijd dat je aan het eind bent, zal het je duizelen van de schier oneindige inventie van Beethoven en voel je je gereduceerd tot een sterveling van het miezerigste slag.

Het zal Rothko ook zijn gegaan om de onderlinge verhoudingen tussen de delen van bijvoorbeeld een concert, symfonie, sonate of kwartet, die zijn bij Mozart meestal in een volmaakt evenwicht, bij Beethoven wil er nog wel een deel alle aandacht op zich vestigen ten koste van de rest.

Elders schrijft Rothko over oude kunst, die soms vrij klein van formaat is. Misschien bedoelt hij dat die kunst dus een soort object is waar je naar kijkt: iets dat kleiner is dan jij bent. Ik voeg daaraan toe, doorgaand op die gedachte: als een kunstwerk enorm is, word je er bijna onder bedolven, maar als iets, zoals Rothko’s eigen schilderijen, een bepaald formaat heeft, de menselijke maat dus, dan sta je als beschouwer als het ware op dezelfde hoogte, dan kun je iets uitwisselen. Rothko spreekt aan het begin van het oorspronkelijke citaat zelfs van een ‘an immediate transaction’!

De belangrijke vraag die Rothko opwerpt nadat hij Mozart en Beethoven heeft vergeleken luidt: ‘How can a man be ponderable without being heroic? This is my problem’ Joost maakt daarvan: ‘Denk ik aan Beethoven, dan vraag ik me af: hoe kan een mens in zijn composities op de wereld reflecteren zonder enige vorm van heroïek?’ Tenzij Joost dus beschikte over een soortgelijke tekst van Rothko die ik niet ken, maakt hij er totaal iets anders van dan wat er staat, in wezen het tegenovergestelde. Rothko eindigt nota bene met ‘This is my problem.’ Hij heeft het over wat hij zelf wil, ten opzichte van Beethoven. Dus: hoe kun je beschouwelijk zijn zonder (als Beethoven!) tot heroïek te vervallen? Ik denk dat hij bedoelt: hoe kun je zonder grote gebaren toch iets diepzinnigs overbrengen?

Joost vervolgt met een zin die ik niet heb kunnen terugvinden: ‘Het ontbrak Beethoven aan iedere denkbare vorm van heldhaftigheid. Mozart bezat die heroïek wel.’ Dit lijkt me (zolang ik geen andere versie van het oorspronkelijke citaat heb gezien) door Joost bedacht, in kennelijke nood te begrijpen wat Rothko bedoelde en door zijn aanname dat Rothko heroïek opvatte als een kwaliteit.

Nog een keer: Mozart heroïsch en Beethoven niet? Joost zit er hier volgens mij dus helemaal naast en laat Rothko iets beweren wat hij nooit heeft gezegd. De heroïek van Beethoven is hoorbaar in vrijwel zijn gehele oeuvre en is bovendien deel van de romantische mythe van het genie dat strijdend tegen het onbegrip van het publiek, de hoon van critici, de elementen, ziekte (zijn doofheid!) en de naderende dood zijn (het zijn altijd mannen) onsterfelijke, grootse werk weet te verrichten. Dat lijkt me de heroïek waar Rothko juist niet naar zoekt, hij wil dat degene die zijn werk ziet hetzelfde ervaart als hij als maker ervoer toen hij het schiep: ‘an immediate transaction’. Bij Beethoven is het toch meer dat je als luisteraar moet denken: wat knap, wat groots, wat een geweldenaar! 

Mozart heeft een menselijke stem, die hoeft zichzelf niet groter te maken dan hij is, vandaar dat hij voor Rothko een hoger soortelijk gewicht heeft: wat hij maakt is niet bedoeld om je te overdonderen, maar om je iets te laten ervaren en voelen. Via zijn melodieën spreekt Mozart van mens tot mens. Zoiets wilde Rothko waarschijnlijk ook: via die diepe, verzadigde, uit vele lagen opgebouwde kleuren naar de toeschouwer wenken. Een schilderij laten werken als een emotionele spiegel. 

Mozart bleef schijnbaar oppervlakkig: spelend met orkestkleuren en stemmingen, ingezet voor het simpelweg verklanken van gevoelens. Zelfs op zijn donkerste momenten (Don Giovanni, de Praagse symfonie, het Requiem, het 24ste pianoconcert, het begin van het dissonantenkwartet, het adagio voor piano in b-klein) blijft hij troostrijk en menselijk. Terwijl Beethoven vrijwel altijd pathos nodig had, larger than life wenste te zijn, zoveel mogelijk ruimte innam met zijn dreunende akkoorden, virtuositeit, harmonische verrassingen en ritmische dwingelandij. Hij zocht de grenzen van zijn instrument op en die van de vertolkers van zijn werk, sommige van zijn stukken hadden zelfs lang de reputatie ‘onspeelbaar’ te zijn. Mozart klinkt zo natuurlijk dat je het idee krijgt dat zijn muziek er altijd is geweest, Beethoven zo getormenteerd dat je het idee krijgt dat zijn werk met veel geweld ontstolen is aan de Goden.

Natuurlijk waren het allebei Oostenrijkers, maar de mooie woorden van componist Hendrik Andriessen zijn hier misschien op hun plaats:

De Duitsers graven heel diep, maar wat vinden zij eigenlijk? De Fransen bewegen zich aan de oppervlakte, omdat ze weten dat de waarheid zich daar net onder bevindt.

Voor mij is het duidelijk dat Rothko juist geen heroïek in Mozarts muziek hoorde en wel in die van Beethoven en daarom aan Mozart de voorkeur gaf.

Dat brengt me terug bij de vraag die ik mezelf aan het begin van dit stuk stelde: ‘Heeft Rothko überhaupt wel eens naar de muziek van die twee geluisterd?’ Ja, natuurlijk! Ik denk dat ik van die vraag kan maken: heeft Joost zich überhaupt in de muziek van die twee verdiept?

Ik vrees van niet, want als hij dat had gedaan, dan zou hij misschien beter hebben begrepen wat Rothko in mijn ogen bedoelde en had hij ook diens woorden niet hoeven verdraaien. In deze context beschouwde Rothko ‘heroïek’ of ‘heldhaftigheid’ niet als een positieve eigenschap en zeker niet als een ideaal dat hij trachtte te bereiken. Hij streefde niet naar het oergevoel dat Beethoven vertolkt, maar naar de puurheid van Mozart. Rothko verlangde ernaar net als Mozart juist niet heroïsch te zijn.

Het stoort me dat Joost er totaal iets anders van maakt en Rothko klaarblijkelijk woorden in de mond legt. Ik had er graag nog eens met hem over gesproken en dan had hij me met zijn charme misschien nog wel voor de duur van het gesprek kunnen overtuigen van zijn gelijk, of me later om de oren geslagen met een bron waarin Rothko deze flauwekul wel degelijk beweert — of in ieder geval hadden we hartelijk kunnen lachen om ons verschil van inzicht.