Ik was onder de indruk toen ik meer dan tien jaar geleden, na een bezoek aan Gorinchem, De waterman (1933) van Arthur van Schendel las. Ik heb het nu herlezen en het blijkt dat me niet zo bar veel van het boek is bijgebleven. Eigenlijk vooral de opening, de sfeer van doem en de glanzende taal. Ik vond het nog steeds mooi en omdat ik inmiddels Onveranderlijk zichzelf heb gelezen, de uitstekende en levendige biografie die Rob Groenewegen schreef over Van Schendel, en ik niet zolang geleden ook Een zwerver verliefd herlas, zie ik in De waterman dingen die ik eerder niet zag.

Dankzij de biografie heb ik een beeld van Van Schendel, die nadat het gezin waaruit hij kwam na de dood van zijn vader tot armoede verviel een zwervend bestaan leidde. Dat is natuurlijk het thema van Een zwerver verliefd, maar die rusteloosheid zit ook in Maarten Rossaart (Bijgenaamd De waterman); hoewel hij deskundigheid bezit op het gebied van dijken, kiest hij voor een bestaan als schipper, lange tijd zonder thuishaven.
Uit de biografie blijken ook Van Schendels rechtschapenheid, schuwheid en vastberadenheid en dat zijn stuk voor stuk eigenschappen die hij zijn hoofdpersoon ook heeft gegeven. De roman is verre van autobiografisch, want het verhaal speelt zich af zo’n honderd jaar voor het werd geschreven, maar toch zit er een zelfportret van Van Schendel in zijn Waterman.

Ik heb het Verzameld werk van Van Schendel en ergens in mijn boekenkast heeft zich bovendien een eerste druk verstopt van De waterman, maar ik las de fraaie editie die in 2010 bij Atheaeum—Polak & Van Gennep verscheen, in een band met Een Hollands drama en De grauwe vogels. Het geheel werd onder de titel Drie Hollandse romans bezorgd door Hans Anten, Wilbert Smulders en Joke van der Wiel. Het is een prachtige uitgave, voorzien van een geweldig nawerk, met voor De waterman onder meer een kaartje van Gorinchem.
In deze uitgave telt de roman 150 bladzijden en daarin wordt min of meer een heel leven beschreven. Je zou kunnen zeggen dat dit leven in brede streken wordt geschetst. Van Schendel is een meester in het beschrijven van tijd die verstrijkt en je leest dan ook meer sferen en beelden dan scènes. Zelden zet hij een dialoog in. Dit is echt een typische alinea voor Van Schendel:
Twee dagen zat hij bij haar, er was geen ander geluid dan van de torenklok, hij voelde hoe stil het werd.
In moderne termen kun je goed zeggen dat Van Schendel vooral aan telling doet en weinig aan showing. Grote uitgewerkte scènes tref je zelden aan, noch dialogen waarin je de personages beter leert kennen.

Ik las nu met andere ogen dan eerder. Ten eerste had ik net daarvoor de mijmeringen over kaarslicht gelezen die Gaston Bachelard in 1961 liet verschijnen onder de titel De vlam van een kaars (in 2024 vertaald door Nicolaas Matsier) en daardoor vielen de kaarsen in De waterman me plotseling op, bijvoorbeeld in deze scène van Maarten met zijn tante Jans:
Toen werd zij stil en staarde in het licht van de kaars. Een poos zaten zij roerloos naast elkaar, tot hij het hoofd naar haar wendde en zag dat zij met gevouwen handen zat, toen vouwde hij ook de zijne.
Nog een scène van Maarten bij zijn tante Jans:
Meer dan acht jaar hadden zij aan elkaar gedacht, geen van beiden wist te spreken en zij durfden elkaar niet aan te zien. Eerst toen de kaars werd opgestoken noemde zij zijn naam en haar ogen gingen voor hem open.
Aan de hand van de kaarsen (en dan met name de keren dat het om één enkele kaars gaat), kun je een heel spoor door het boek ontdekken, zoals deze met Marie, die Maartens geliefde wordt:
Aan het avondbrood zat hij in gedachten, starend in het licht van de kaars. En Marie vroeg niets. De schuit wiegelde licht met gekraak in het hout. In de nacht, bemerkend dat hij onrustig was, hield ze zijn hand. Bid voor mij, zeide hij, ik begin te twijfelen aan de mensen.
Het paar krijgt een kind, Jantje, met wie ze op hun schip leven, ook al is Marie bang dat de jongen in het water zal vallen. In de kleine roef van het schip trekken ze zich terug als het donker wordt, daar brengen ze dagen door. Het is zo klein dat ze een tafel op schragen hebben, die ze opbergen als die niet wordt gebruikt, want ze slapen op dezelfde plek.
Zij zaten weer naast elkander voor de schraag met het eindje kaars, zij baden, waarbij de Jongen een kruis maakte zoals zijn moeder, en zij aten, zwijgend en vermoeid. En wanneer Marie de kruimels had geveegd en het deksel op de doofpot had gedaan, legde zij de matrassen op de vloer. Rossaart, stijf in rug en benen, sliep aanstonds, moeder en kind fluisterden nog in donker.
Als Marie besluit niet langer mee te gaan varen (waarom moet de geïnteresseerde lezer zelf maar lezen) en in Gorinchem (Maartens geboortestad) gaat wonen, wordt die kaars een symbool voor haar, want steeds als Rossaart haar bezoekt, zien we die kaars.
Op de Visbrug bleef hij nog eens staan, het gezicht gekeerd naar de hemel waar de gloed verzonk. Hij knikt het hoofd en noemde de naam van God. Zijn vrouw zat in de kleine voorkamer bij de kaars, zij stond op en liet hem in de keuken, waar zij het brood op de tafel zette.
Tegen het eind van het boek staat er:
Voor het huisje gekomen zag hij aan het licht achter het gordijn dat zij al thuis was. Maar de deur was gesloten. Hij klopte en wachtte, en na een poos klopte hij nogmaals. Hij bukte om door de kier van het gordijn te kijken, hij zag de kaars die op het tafeltje bij het bed stond. Hij klopte nog eens. […] Hij keek nog eens door de kier, maar hij zag alleen de kaars. Toen ging hij en zijn voetstappen klonken.
Die kaars was me waarschijnlijk nooit zo opgevallen als ik dus niet eerst het wonderlijke boekje van Bachelard had gelezen, waarin de kaars, het licht ervan en de mens die er zich door laat verlichten centraal staat. Hieronder een foto uit het boek met een van de passages die me opvielen:

Het is natuurlijk puur toeval dat ik dankzij Bachelard de kaarsen bij Van Schendel ging volgen, toeval vooral omdat er betrekkelijk veel kaarsen in De waterman voorkomen en ze niet alleen worden ingezet als sfeerbeschrijving. Ze vormen met elkaar kralen aan een ketting die door het boek heen loopt.
Dankzij Bachelard weet ik nu dat je een boek niet alleen kunt lezen uit een historisch-materialistisch, feministisch, freudiaans, postkoloniaal of welk perspectief je maar wilt, maar ook uit een vlammend perspectief.

Maar er was nog een ander aspect van De waterman dat me eerder niet opviel, want als Marie besluit om redenen niet langer mee te varen, neemt Rossaart een hond. Dit las ik allemaal voor wij in 2018 zelf een hond kregen (en over wie in maart van dit jaar mijn boekje Zonderhond verschijnt) en ik herinnerde me die hond, die cruciaal is in de laatste van de vijftien hoofdstukken, nauwelijks. Nu speelt het dier voor mij een grote rol. Er zijn eigenlijk maar enkele personages naast Maarten waarop Van Schendel meer licht laat vallen, en de hond is er daar een van. Het dier heet ‘Best’ en wordt geïntroduceerd aan het begin van hoofdstuk XIV, aan het eind van een passage waarin Van Schendel (zoals hij wel vaker doet) even uitzoomt en Rossaart meer van een afstand beschouwt.
Op een dag werd gezien dat hij niet alleen voer, maar een hond bij zich had.
Ik weet niet wat het is, maar ik vind dit een prachtige zin, terwijl het in feite een mededeling is, in de lijdende vorm (werd gezien) nog wel, toch niet constructie die je toepast als je iets moois wil opschrijven.
Verderop zitten we alweer met baas en hond in de roef van het schip:
Hier Best, wanneer hij brood of water gaf, was het enige wat hij zeide en het deed hem goed de mond te openen. ’s Avonds wanneer hij de deuren toedeed om te gaan slapen, klopte hij hem op de rug en hij dacht: het stomme beest weet niet dat hij hier weer leven brengt. […] Maar bij de overstroming van de volgende winter bleek hoe de hond hem begreep.
Ach, en dan moet het huiveringwekkende einde nog komen (ik verklap niet alles), ingeleid door alweer zo’n schitterende zin die niet mooi wil zijn:
De schuit ging langzaam voort op de donkere rivier met de hond die blafte.
