
Gisteren schreef ik op mijn weblog dat ik recensies vermijd. Dat is niet helemaal waar, natuurlijk. Het is meer een goed voornemen. Wel probeer ik geen recensie te lezen van een boek waarvan ik al weet dat ik het ga lezen. Als ik het uit heb, zoek ik wel eens recensies.
Vergeefs zocht ik zo naar een bespreking van een van de eerste mooie boeken die ik dit jaar las: Bewonen wat je overkomt van Gerard Visser. Niet geheel vergeefs, overigens, want er werd op internet wel het een en ander over geschreven, maar volgens mij bleven de kranten tot op heden stil. Vreemd, wat het is een prachtig boek.
Bewonen wat je overkomt biedt een keuze uit het dagboek van deze filosoof uit de periode 1979 tot 1989. In die tijd promoveerde Visser en kregen hij en zijn vrouw Riet een dochter, Noortje, een kind dat achterblijft in haar ontwikkeling. Een interessant onderwerp voor mij, omdat ik ook een vader ben van een kind met een beperking.
Dit wordt geen recensie, maar meer een samenvatting van dingen die ik over het boek in mijn eigen dagboek heb genoteerd.
Vissers dagboek wordt ingeklemd tussen een Voorwoord en een Nawoord (en ergens halverwege staat ook nog een stukje waarin de auteur uitlegt hoe een hiaat in het dagboek kon ontstaan), waarin hij met enige afstand over zijn eigen tekst en leven schrijft. Met name het nawoord, in veel boeken toch een wat overbodige exercitie met bedankjes, biedt hier een ander perspectief op alles wat je daarvoor hebt gelezen. Voor mij was het lezen van dat nawoord vooral een grote opluchting.
Het dagboek zelf rust op enkele pijlers uit het leven van Visser: zijn denken, zijn carrière, zijn verleden, de liefde en het vaderschap. Ook heeft hij literaire ambities, in de beschreven periode verschijnen als ik het wel heb twee van zijn verhalen in De Revisor. Zijn kwaliteiten als schrijver schemeren door vrijwel elke zin, vandaar dat ik er veel heb gemarkeerd. Hij blinkt uit in natuurbeschrijvingen. Daar kun je uit opmaken dat hij een geduldige observator is.
Ineengedoken, de kop tussen de veren en de rug naar het water, straalt de eend in het talud van de oever een en al rust uit. Maar bij nader inzien houdt ze de witte staart en vleugels licht geheven, net voldoende om drie gele, onrustig bewegende bolletjes daaronder beschutting te bieden tegen de neergutsende regen.
De filosofische overpeinzingen over Nietzsche en Heidegger gaan af en toe boven mijn pet, maar misschien is het eerlijker om toe te geven dat ik niet altijd de tijd neem om na te denken als ik lees. Ik behoud me het recht voor om gewoon door te lezen als ik iets niet begrijp. De toon van die overpeinzingen is overigens zeer onderhoudend en ik beschouwde ze soms als een illustratie van de ontwikkeling van Vissers denken.
Tegelijkertijd zijn er genoeg passages van meer beschouwelijke aard die me bijbleven, zoals deze (uit 1979!):
De massamedia zouden ons het liefst permanent aan zich binden. Hier en daar mag het overdadige aanbod tevreden stemmen, omdat je toch maar wordt geïnformeerd en dol van de opinies door weer een ander blad of een andere zender wordt geamuseerd, maar op den duur en over het geheel genomen raakt wie meer wil zijn dan een gemakzuchtige consument of een vergaarbak van opinies er behoorlijk door van streek.
Ik stel vast dat we in 2026 inderdaad dat zijn geworden: vergaarbakken van opinies. Deze observatie deed me nadenken over het begrip ‘opiniemaker’. Plotseling begreep ik wat er met die term bedoeld wordt. Niet zoals ik eerder altijd meende: iemand die blijkbaar als baan heeft om zich over van alles en nog wat een mening te vormen, maar iemand die als taak heeft anderen een mening te leveren.
Op 16 augustus 1980 schrijft hij:
Menig zoogdier paalt zijn territorium af door een lichaamsvocht af te scheiden. Maar ook wij doen dat – met ons humeur.
Hoe raak!
Verheugd las ik dat Visser ook een liefhebber is van de dichter Nijhoff en dat hij net als ik een zwak heeft voor ‘Het veer’, over de heilige Sebastiaan. Op 14 november 1989 schrijft Visser:
Laatst weer zo onder de indruk van ‘Het veer’ van Nijhoff. Ken ik een gedicht dat meer beantwoordt aan Nietzsches oproep: dat niets van wat er is mag worden weggecijferd? Zijn poëzie heb ik tijdens wandelingen of als we gaan fietsen bijna altijd bij me.
Die opmerking over Nietzsche is trouwens typisch een moment waarop Visser me kwijtraakt, maar ik zal als ik ‘Het veer’ weer eens lees, zijn idee in mijn achterhoofd houden en er verslag van doen.
Geregeld heb ik hardop om Bewonen wat je overkomt gelachen, bijvoorbeeld bij deze anekdote die speelt in de tijd dat Visser nog in opleiding tot priester was:
Op een bijzondere feestdag met een mis voor drie heren zou mgr. Zwartkruis, bisschop van Haarlem, voorgaan. Wij waren er in de sacristie bij terwijl hij werd aangekleed, maar toen hij in vol ornaat klaar stond en wij een ogenblik dachten dat hij zich in stil gebed op de dienst voorbereidde, gooide hij met zijn rechterhand de hele boel omhoog en haalde een pakje shag uit zijn broekzak.
Maar wat overheerst is ontroering, want ik heb een paar keer om dit boek gehuild als het over Noortje ging en over de zoektocht van haar ouders om er achter te komen wat hun kind mankeert. Natuurlijk las ik dit deels autobiografisch, in de zin dat Hester en ik ook zo’n zoektocht hebben moeten maken om uit te vinden wat Lidewij mankeerde, maar ik denk dat iedereen die dit boek leest iets van de wanhoop en het verdriet zal kunnen navoelen, misschien juist omdat het niet alleen daarover gaat. Het is ook geen aanklacht, of roep om aandacht.
4 september 1983, Noortje is dan een jaar of drie (Visser richt zich in het dagboek in de tweede persoon tot zijn vrouw en later ook wel tot Noortje):
Twee zusjes, Anousjka en Bianca Laan, elf en tien jaar oud, zijn bereid wekelijks een keer met Noortje te komen spelen. Vanmiddag liet Bianca aan Noortje haar kunsten op de kussens zien. Maar toen jij Noortje vroeg naar haar kunsten, zei ze: ‘Ik… kan… niks.’ Ze herhaalde het vanavond op de commode.
Zelfs als ik het overtik, krijg ik tranen in mijn ogen.
Gelukkig staat het boek vol vertederende momenten en ook hilarische scènes, zoals deze op 19 juli 1987, die begint als de nachtmerrie van iedere ouder, als Noortje met invalidenwagentje en al het zwembad in rolt:
Ik had me niet gerealiseerd dat de kant licht naar het zwembad afhelde. Maar wat een geluk, zo besefte ik achteraf, dat het stangetje niet voor haar buik had gezeten. Nu was ze meteen voorover uit de wagen gevallen. Ik had haar hoofd snel boven water. Op mijn geroep om hulp kwam er een zwerm jongetjes aangerend. Van de warmte waarmee de mensen ons geruime tijd omgaven, begreep ik ook pas later dat die moet zijn opgeroepen door de indruk van hulpeloosheid die zo’n kind maakt […] Overigens had ze wel heel opmerkelijk gereageerd. Eenmaal op de kant verzuchtte ze: ‘Eindelijk…, maak ik ook ’ns wat mee.’
Het boek is veel te vol om het in een paar citaten recht te doen, iedereen moet het gewoon zelf lezen en ondergaan. Begin eraan en laat je meevoeren. Ik kon het niet wegleggen.
