Verschillende vrienden (zelf ook schrijvers) spraken me aan op de lijst met de boeken die ik vorig jaar heb gelezen. Ze meenden dat ik onmogelijk meer dan honderd boeken tot me genomen kon hebben.

‘Er zaten ook dunnetjes bij,’ bracht ik er zwakjes tegenin.

‘Waar haal je de tijd vandaan?’ vroegen ze.
‘Toon mij de screen time die u op uw smartphone doorbrengt en ik vertel u of u tijd heeft om literatuur te lezen,’ antwoordde ik. ‘Als je meer dan twee uur op je telefoon zit, kun je makkelijk een uur vrij maken om boeken te lezen.’
Vervolgens rekende ik mijn vrienden soeverein voor dat als je door slechts een uurtje per dag te lezen je minstens vijftig bladzijden per dag moet kunnen halen. Dat maakt 365 x 50 blz = 18.250 blz. Stel dat je alleen boeken zou lezen van 182,5 bladzijden, zou je met dat uurtje per dag dus honderd boeken kunnen lezen.
Ik heb nooit bijgehouden hoeveel boeken ik in een jaar ik lees, dat heb ik in 2025 voor het eerst gedaan. Mijn vriend Jean-Marc van Tol, schrijver en tekenaar, raadde me begin dit jaar aan om op Goodreads en Hebban te kijken om te zien wat mensen van mijn laatste boek vonden. Ik wist wel dat deze lezersplatforms bestonden, maar eerlijk gezegd had ik — hoe ijdel ik ook ben — nooit mijn naam in hun zoekmachines ingetikt. Ik deed het op de dag dat mijn roman Aan het einde van de oorlog uitkwam. De eerste beoordeling op Hebban was meteen raak! Iemand had mijn roman van meer dan 600 bladzijden blijkbaar in nog geen uur uitgelezen, een waardeloze prul gevonden en beoordeeld met één ster! Volgens Jean-Marc moest ik me echter niet laten ontmoedigen door dit soort boektrollen. Dus keek ik af en toe op die twee platforms en zag ik dat er ook mensen zijn die boeken echt lezen en beoordelen. En soms gedegen stukken schrijven en interessante vragen opwerpen.
Maar daar gaat het nu niet om. Het viel me namelijk ook op dat mensen in deze virtuele gemeenschappen een weddenschap met hun eigen zelf (Reve) aangaan om een bepaald aantal boeken in een jaar te lezen: een reading challenge. Zelf ben ik geen liefhebber van wedstrijdjes met mijn eigen zelf, ik erger me rot aan de stappenteller van mijn telefoon die me erop wijst dat ik zoveel stappen meer heb gezet dan gisteren rond deze tijd of minder dan gemiddeld vorige week. Maar ik vroeg me wel af: hoeveel boeken lees ik eigenlijk in een jaar? Ik besloot een lijst bij te houden. Ik vond het leuk om die lijst te zien groeien en ik geef grif toe dat ik af en toe een matig boek heb uitgelezen om het op die lijst te kunnen zetten. Sommige boeken waren echter zo beroerd, dat ik mijn verlies heb genomen, ook al was ik over de helft. Dan maar niet op de lijst [de titels van deze boeken zijn bekend bij de redactie].

Lees ik veel? Mijn literaire vrienden vinden van wel, ik vind het zelf meevallen, omdat ik echt niet meer dan een uur of twee per dag lees. Ik lees voornamelijk thuis. Op enkele plekken: in de leunstoel op mijn werkkamer, op de bank in de huiskamer, in bed. Soms aan tafel en in de zomer in de tuin. Ik lees vrijwel alleen ’s avonds, ook de boeken die ik voor mijn werk als documentatie moet lezen. Ik lees wel overdag als ik onderweg ben met trein of bus en ik lees in wachtkamers. Af en toe lees ik in het weekend overdag, bijvoorbeeld als een boek me om wat voor reden dan ook opslokt (De jaknikker kon ik onmogelijk wegleggen, omdat ik steeds dacht: hoe redt Peter Buwalda zich hier uit?), dan lees ik ook tot na middernacht door en ga ik ’s ochtends vroeg voort. Verder lees ik als ik niet slapen kan. Beladen huis van Christien Brinkgreve las ik in één slapeloze nacht uit. Voor een boek van die omvang (onder de 182,5 bladzijden) is dat mijn ideaal: in één ruk uit.
Lezen gaat het best als je je niet laat afleiden. Daarom probeer ik nieuws niet via mijn telefoon, maar enkele keren per dag via de radio of de televisie te volgen. Columns in de krant sla ik zoveel mogelijk over. Ik heb overal immers zelf al een mening over.
Ik maak ook tijd om te lezen door Youtube zoveel mogelijk te vermijden, (soms lukt dat niet — wait for the flute!) (echt niet — wait for the flute!). Sociale media bekijk ik niet. Podcasts luister ik niet meer. Series doe ik niet aan. Ik lees liever een slecht boek dan dat ik een goede serie kijk, als ik eerlijk ben. Raar maar waar. Zelfs van slechte boeken kun je nog wat leren. Soms word ik nieuwsgierig en lees ik recensies van boeken die ik niet ken, maar als ik weet dat ik een boek zal gaan lezen, vermijd ik de kritiek en lees ik liever een boek.
Ik vind het interessant om uit de eerste hand te weten wat er gebeurt in de letteren, al volg ik de poëzie niet. De romankunst van mijn tijd in mijn taalgebied probeer ik tot op zekere hoogte bij te houden, door bijvoorbeeld tips van vrienden (natuurlijk lezen die ook!), titels van de shortlist van de grote prijzen of debuten te lezen. Dat doe ik al decennia lang.

Nu volgt er een okéboomer-alinea.
Ik herinner me dat Ronald Giphart en ik eind jaren tachtig, begin jaren negentig regelmatig naar lezingen van schrijvers gingen in Zeezicht te Utrecht. Dat waren bijeenkomsten die werden georganiseerd door de SLAU, de voorloper van ILFU. Er was een vaste groep nazitters, met onder meer Ed van Eeden, Peter Nijssen, Hans Bouman en Henk Pröpper. Als er een nieuw boek uit was van een bekende schrijver of van een spraakmakende debutant als Marcel Möring, Margriet de Moor, Atte Jongstra of Connie Palmen, dan was de kans vrij groot dat een paar van de aanwezigen dat boek hadden gelezen, soms had iedereen het zelfs gelezen. Daar kwamen natuurlijk discussies over, vaak niet erg subtiel, maar er werd gepassioneerd gesproken over de Nederlandse literatuur van het moment. We hoorden elkaars mening, waren het oneens, of juist niet, maar o wee als je een recensie zat na te bauwen, dan was je af en kon je bier gaan halen. Daarnaast sloegen we elkaar om de oren met ontdekkingen en klassiekers uit de wereldliteratuur: ‘Ken je The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman niet? Wat zit je hier dan nog te zuipen?’
Tegenwoordig is het anders. Ik kom regelmatig andere schrijvers, critici, uitgevers en boekhandelaren tegen op feestjes, borrels en presentaties en meestal is literatuur niet het gesprek van de dag, behalve dan dat er wordt geklaagd over tegenvallende verkoop, slechte recensies, ‘jonge mensen lezen geen boeken meer’, ‘de literatuur ligt aan het infuus’, ‘de roman is dood’ etc. Als het over de interviews, media-aandacht, literaire prijzen, eindejaarslijstjes en bestsellers gaat, dan hebben met name collega’s een mening over elk succes waarvan iemand de titel roept (Oroppa van Safae el Khannoussi, De bandagist van Marente de Moor, Op een andere planeet kunnen ze me redden van Lieke Marsman), maar vaak heeft bijna niemand die boeken gelezen (de bescheidenheid dwingt me te zeggen dat ik vaak de enige ben), maar iedereen vindt er iets van. Daarbij lijkt de impliciete boodschap van levende Nederlandse schrijvers te zijn: het werk van levende Nederlandse schrijvers interesseert mij niet — terwijl ik denk: jij fietst in hetzelfde peloton als die schrijvers in wier werk je niet interesseert!
Ik vraag me af: als schrijvers zelf twee boeken in de week lezen al te veel moeite vinden en de literatuur van het moment in het taalgebied waartoe ze behoren te oninteressant om zich in te verdiepen, door wie verwachten ze dan dat hun boeken worden gelezen?
Lezen = gelezen worden, vrienden!
