

In de Groene noemt criticus en romancier Kees ’t Hart mijn roman Aan het einde van de oorlog ‘het beste boek’ van het jaar. Eerder schreef hij een recensie (hier terug te lezen) waarin hij zich afvroeg of het wel mocht, zo’n boek als dit schrijven. Ik vond dat een interessante vraag, vooral omdat ik met deze kwestie worstelde toen ik aan mijn roman begon.
Naar aanleiding van ’t Harts kritiek schreef ik voor mezelf een lang stuk, waarvan ik een deel een tijdje op mijn site had staan (inclusief een pedante correctie van het fotobijschrift), maar dat ik weer verwijderde. De essentie van dat stuk was:
Inmiddels had ik het antwoord op mijn vraag — ‘Mag ik van de misdaden van de nazi’s fictie maken?’ — gevonden. Het antwoord ‘Nee, dat mag niet’ resulteerde namelijk in tegenvraag: ‘Waarvan mag ik dan wel fictie maken?’
Voor mij is het simpel: óf je mag/kunt/moet overal een roman over maken, óf je mag/kunt/moet nergens een roman over maken.
Of je zo’n roman over dit onderwerp wilt schrijven is aan de schrijver. Of je zo’n roman wilt lezen is aan de lezer.
De Groene plaatste later nog een ingezonden brief over de recensie van ’t Hart:

Over de kwestie van de al dan niet gestolen plot schreef ik een tijdje geleden dit stuk en later nog dit naschrift. Ik wil nog vermelden, als reactie op de laatste alinea van de ingezonden brief, dat Boyne juist kritiek op zijn boek kreeg, omdat hij wegkijkt van de gruwelen, zoals hier in The New York Times:
Boyne seems driven at once by an impulse to make curious middle-grade readers face the horror of Auschwitz and a desire to protect them from its full impact.
Ik ben blij met ’t Harts lovende revisionisme, want de herneming van zijn kritiek duidt erop dat Aan het einde van de oorlog meer indruk maakte dan hij misschien in eerste instantie kon geloven. Maar ik vind het ook stoer en wijs van hem om toe te geven dat een eenmaal gegeven oordeel voor hem niet onwrikbaar is.
