
[Dit is een longread vol spoilers]
Op allerlei plekken wordt mijn roman Aan het einde van de oorlog in verband gebracht met The Boy in the Striped Pyjamas van John Boyne. Ik snap dat mensen die vergelijking maken, want dat deed ik zelf op een bepaald moment ook. Ik zal hieronder uitleggen hoe het zit. Het is een lang verhaal en er staan nogal wat spoilers in.
In De Groene Amsterdammer van 1 mei 2025 stond een ingezonden brief van Gerard van Niel over de recensie die Kees ’t Hart schreef over mijn roman Aan het einde van de oorlog. Daarin wordt gezegd dat ’t Hart voorbijgaat
aan het feit dat een belangrijk aspect van deze roman volledig ontleend is aan/lijkt te zijn aan The Boy in the Striped Pyjamas van John Boyne. Ook daarin vindt het zoontje van de kampcommandant de dood doordat hij (per ongeluk) wordt vergast.
Ook in kranten werd de vergelijking gemaakt en vooral op lezerssites (waar ik verder niets tegen heb, sommige stukken die ik daar lees zijn minstens zo doorwrocht als recensies in kranten) roeren zich lezers die menen dat ik mijn boek heb overgeschreven van Boyne.
Zo zegt JandeBoer:
En dan de grote verrassing van dit boek: The boy in the striped pyjama [sic]. We hebben allemaal het boek gelezen, of de film gezien, en de plot van dit boek is exact hetzelfde. Jongen van concentratiekampbaas eindigt in de gaskamers. Ik heb me verbaast [sic] dat Natter dit als thema heeft gekozen, en vond het afbreuk doen aan mijn leeservaring, vandaar mijn beoordeling met drie sterren.
In diverse interviews vertelde Bert Natter dat hij het boek De jongen in de gestreepte pyjama van John Boyne niet kende. Ik dacht ja ja… maak dat de kat wijs.
Nu lees ik dat u ook nog een idee hebt gestolen van John Boyne (De jongen in de gestreepte pyama [sic]), wat de rode lijn in uw verhaal geworden is.
Het is nogal wat: ‘volledige ontleend aan’ en ‘exact hetzelfde’. Iemand denkt dat ik lieg over in hoeverre ik dat boek van Boyne kende: ‘maak dat de kat wijs’ en dan beweert de volgende dat ik een idee heb ‘gestolen’ en dat ook nog in de vorm van een aan de auteur gerichte brief.
Tot slot Thomas:
Wat wil of kan hij beter, dan het bekende The Boy with [sic] the Striped Pyjamas, dat een vrijwel identieke gaskamerplot heeft?
Het is nooit mijn ambitie geweest om dat boek van John Boyne uit 2006 te verbeteren, zoals de laatste lezer vermoedt, die zijn mening trouwens niet op Hebban gaf, maar in NRC. Zijn naam is voluit Thomas de Veen.
Ik zou dus ‘in diverse interviews’ hebben beweerd dat ik dat boek van Boyne niet kende. Dat is niet waar. Ik zal desgevraagd misschien een keer hebben gezegd dat ik dat boek niet had gelezen toen ik aan mijn boek begon. Ik was te gast bij Boeken op televisie en op de radio bij Nooit meer slapen en bij Panorama zondag. Ook werd mij interview afgenomen door de Baarnsche Courant, en was ik te zien op de Baarnse televisie en te horen op de Utrechtse lokale radio. Daarnaast heb ik regelmatig publieke vraaggesprekken gevoerd in boekwinkels. Meer interviews heb ik niet gegeven. Dus waar ik dat dan allemaal gezegd zou hebben, weet ik niet. Ik geloof niet dat ik op de televisie of op de radio of voor een levend publiek in een boekwinkel een potje zal gaan zitten jokken. Natuurlijk wist ik van het bestaan van dat boek met de titel die maar weinig mensen in één keer goed hebben, waarom zou ik dat ontkennen?
Nu vind ik het niet erg om op Hebban of GoodReads voor dief en leugenaar te worden uitgemaakt, maar ik wil het opnemen voor mijn boek, dat weerloos is en bepaald geen rip-off van een ander boek. Ik heb de plot niet ontleend aan een ander boek, dat zal ik nu voor eens en altijd uitleggen. Als ik hierna vertel over boeken die mij wel degelijk hebben geïnspireerd, bedoel ik niet dat ik die boeken bij de hand had tijdens het schrijven. Ik bedoel dat ik, nu mijn eigen boek klaar is, kan zien dat bepaalde boeken die ik ooit las bijgedragen zullen hebben aan het uiteindelijke resultaat.
Ik zal beginnen met te vertellen hoe ik op het idee voor Aan het einde van de oorlog kwam. Niemand hoeft te geloven, maar dit is hoe het ging.

In 2020 werkte ik mee aan de biografie van een Nederlandse vrouw die meerdere concentratiekampen overleefde. Toen ik het kreeg was het een Engels manuscript van zeventig bladzijden, waarvan, ontdekte ik, zo’n twaalf pagina’s waren overgeschreven uit een ander boek. Ik vertaalde, bewerkte en breidde het uit op grond van archiefonderzoek, studie en interviews. Zo werd het een boek van 272 bladzijden. ‘Het leest als een roman,’ schreef NRC toen het boek het jaar daarop uitkwam

In het kader van mijn documentatie las ik tijdens een slapeloze nacht in Sarah Helms standaardwerk over Ravensbrück If This is a Woman (2015) een verhaal over een ondercommandant die eerder in Auschwitz had gewerkt. Daar speelden zijn kinderen in het kamp en droegen ze een penning om hun nek, waarop stond dat ze zijn zoon waren, om te voorkomen dat ze in de gaskamer zouden eindigen. Volgens Helm werd deze officier eind 1944 overgeplaatst naar Ravensbrück. Onder zijn leiding werden daar in januari 1945 bij het crematorium een kleine kleedruimte en een houten gaskamer gebouwd. Uit Auschwitz nam hij een Sonderkommando mee, bestaande uit meer dan tien Joodse mannen die gedwongen werden in het buiten de muur verrezen complex te werken. Ik kende de kaart van het gebied uit mijn hoofd en ik wist hoe dicht dit complex bij de oever van de Schwedsee werd gebouwd en dat even verderop een villawijkje was waar de officieren uit het kamp met hun gezinnen woonden.
In een flits zag ik een roman voor me waarin aan het einde van de oorlog twee zoons van een officier aan de oever van het meer staan te vissen en ruzie krijgen. De jongste van de twee loopt boos weg en wordt vastgegrepen door een communiste die naar gaskamer moet en die weet dat de zoons van de ondercommandant zo’n penning om hun nek hebben. Zijn broer liegt over wat er is gebeurd en de vader gaat op zoek naar de waarheid en vindt die tot zijn eigen gruwel ook. Het boek zou gaan over waarom dat ene mensenleven zoveel meer waard zou zijn dan al die andere mensenlevens.
Toen ik wakker werd, dacht ik er al niet meer aan, maar op het moment dat ik die ochtend aan mijn werktafel plaatsnam, het was 12 september 2020, herinnerde ik me mijn idee van een boek waarin een penning die een talisman moest zijn aan het einde van de oorlog verandert in een merkteken waaraan het kind van de beul wordt herkend. Meteen al begreep ik dat dit verhaal uit meerdere perspectieven verteld moest worden: de vader, de zoon, diens broer en moeder, de communiste en andere gevangenen, het personeel van het gezin, leden van het Sonderkommando, andere officieren.
Ik was daarvoor lang bezig geweest aan een roman over een man die Kamp Amersfoort had overleefd, maar dat speelde zich helemaal af na de oorlog, omdat ik er voor terugschrok scènes in een concentratiekamp te moeten schrijven. Nu had ik een idee dat zich in zijn geheel in en rond een kamp zou moeten afspelen.

Veel mensen veronderstellen dat de verfilming de film The Zone of Interest van Jonathan Glazer een inspiratiebron is geweest voor mijn boek. Die film zag ik in het theater in Baarn, op 19 maart 2024. Op 4 augustus van dat jaar leverde ik de kopij in van mijn roman. Het zien van die film heeft niets voor mijn boek betekend, al wil ik deze film als een meesterwerk kwalificeren, ondanks de bezwaren die ik er tegen heb, want waar Martin Amis in de roman met die titel een kampcommandant met een verzonnen naam beschrijft, maakte regisseur Jonathan Glazer er onomwonden een portret van de historische figuur Rudolf Höss van. In NRC schreef Michiel Krielaars er een interessante column over. Aan het slot van Aan het einde van de oorlog staat overigens (zonder bronvermelding) een letterlijk citaat uit de autobiografie van Höss, Kommandant in Auschwitz. In dat boek wijdt Höss enkele regels aan de man die model stond voor ‘mijn’ Karl Zehlendorf en vertelt hij dat deze zich steeds uit de voeten maakte als er lijfstraffen uitgedeeld dienden te worden.
Feitelijk hebben de film uit 2024 en de roman uit 2014 alleen de titel gemeen, Glazer negeerde de plot van Amis, die draait om overspel. Toen ik begin dit jaar in Enschede een zaal van zestig mensen vroeg wie die film had gezien, zag ik twintig handen de lucht in gaan. ‘Kan iemand de titel verklaren? Waarom heet die film zo?’ Niemand wist het antwoord, wat voor mij een bewijs is hoe losgezongen de film van de roman is.
De roman The Zone of Interest van Amis heb ik gelezen, kort nadat die verscheen en zeker heeft dat boek me op ideeën gebracht. Ik werd vooral getroffen door het gemak waarmee Amis zichzelf humor toestaat in het grimmige decor dat hij koos. Toen ik begon aan Aan het einde van de oorlog had ik dat boek zeker vijf jaar niet in gekeken. Ik heb net gezocht en ik weet dat ik een exemplaar moet hebben van zowel de Engelse als de Nederlandse editie, maar ik zou niet weten waar. Wel keek ik toen ik aan mijn eigen concentratiekamproman begon een interview met Amis over zijn holocaustromans (ik denk dit), waarin hij zei dat mensen denken dat schrijvers boeken kiezen, maar dat dit niet het geval is: ‘Books choose you.’
Dit geeft aardig weer hoe ik me voelde toen mij het idee voor die roman inviel. Ik had eigenlijk geen zin om een boek te schrijven dat zich moest afspelen in een concentratiekamp, maar het boek stond me zo helder voor ogen dat ik niet anders kon dan op z’n minst een poging te doen het te schrijven.
Mensen veronderstellen op Hebban ook dat ik de film The Boy in the Striped Pyjamas heb gezien. Heb ik niet. Ooit een stukje toen ik aan het zappen was. Ik keek een halve minuut (een jongetje keek uit een raam en zag in de verte mensen in gestreepte kleren achter prikkeldraad): dit is niets voor mij.
Er bestaat wel degelijk een speelfilm die heeft geïnspireerd, zeg ik achteraf. Ik zal hem zo noemen, want ik doe eerst een lijstje documentaires die me zeker hebben geholpen: uiteraard de documentaire Shoah (1985) van Claude Lanzmann. Dan de onbekendere, maar enigszins vergelijkbare documentaire Der Judenmord (1998) van Michel Alexandre, Die Frauen von Ravensbrück (2005) van Loretta Walz (aan haar film Erinnern an Ravensbrück (1996) ontleende ik het motto), Night Will Fall (2014) van André Singer, German Concentration Camps Factual Survey (1945/2014) van het Imperial War Museum en natuurlijk Nuit et Brouillard (1956) van Alain Resnais.

De speelfilm die ik bedoel, is Son of Saul (2015) van László Nemes, met Géza Röhrig als de onvergetelijke Saul Ausländer. Ik had verwacht dat recensenten dat zouden opmerken, want als ik mijn eigen boek lees, lijkt het mij overduidelijk dat ik die film heb gezien voor ik op het idee van mijn boek kwam. Ook hier speelt het thema van vader/zoon een belangrijke rol. Over meesterwerken gesproken. Met alles wat ik aan documentaires, speelfilms, getuigenissen, studies en romans (tientallen, misschien honderden) de afgelopen veertig jaar over de shoah heb gezien en gelezen, moet deze speelfilm een van de indrukwekkendste ervaringen zijn. Dat is de kracht van fictie: de geschiedenis tot leven wekken en daarbij speelt een dwingende plot een onmisbare rol. Er zijn wel lezers die deze film noemen, zoals Paul L. op de site van de Standaard Boekhandel. Als ik iets aan een ander kunstwerk heb ontleend, of ergens van heb gestolen, dan is het deze film — dat ontken ik niet, ik vertel dat uit mezelf in interviews, je hoeft me er niet eens naar te vragen. Ook noem ik altijd het boek van Sarah Helms — en dat is een boek dat ik tijdens het werken aan mijn roman regelmatig heb gebruikt om iets op te zoeken.
Zoals de meeste schrijvers en kunstenaars raak ik geïnspireerd door dingen die ik goed vind, maar dat betekent niet dat ik ze zou willen nadoen of overtreffen. Vaak kan dat ook helemaal niet, want de meeste inspiratie haal ik uit muziek, terwijl ik zo amuzikaal ben als maar kan.
Terug naar het begin, naar de vonk die het vuur van dit boek deed ontbranden. Vanwege die vertaalklus had ik geen tijd om aan een roman over een concentratiekamp te werken. Gelukkig ontdekte ik dat ik elke dag twee tot drie uur ‘op mijn telefoon’ zat en daarom besloot ik: dat breng ik terug tot minder dan een uur, want dan hou ik tijd over waarin ik dit idee kan uitwerken. In de maanden daarna stond ik op zodra ik wakker werd. Na het ontbijt werkte ik een uurtje of twee aan dit plan. Om negen uur ging ik aan mijn echte werk: het vertalen en bewerken van die biografie.

Zo schreef ik in de vroege uurtjes van 16 september 2020 een flaptekst voor mijn roman in wording die weinig verschilt van wat er nu achterop het boek staat:
Aan het eind van de oorlog raakt het zoontje van een hoge SS-officier vermist in de buurt van een concentratiekamp voor vrouwen en kinderen. Alles wordt in het werk gesteld om de jongen te vinden.
Toen wist ik meteen de titel, die ik erboven schreef: Aan het einde van de oorlog.
Ook schreef ik die ochtend een eerste scène, over een toen nog naamloze communiste die het zoontje (toen al ‘Ernst’) van de officier heeft gegrepen, ik ga die hier niet helemaal citeren, maar de eerste regel in mijn aantekeningenboek luidt: ‘Wat staat ze hier te doen met dit kind tegen zich aan?’ En aan het einde staat de rechtvaardiging voor haar daad: ‘Hier, op deze plek, bestaat slechts onrecht.’

Na een dag of tien schetsjes maken van scènes, onder andere van de dood van Ernst en ook van de executie van het Sonderkommando, stelde ik een lijstje op met ‘korte aanduidingen van plaats’ waar de scènes zich moesten afspelen:
- bij het meer
- bij de muur
- in de kleedschuur
- thuis bij Zehlendorf
- De kamer van Z in de Kommandantur
- etc.
Vervolgens wrikte ik mijn verhaal los van Auschwitz en Ravensbrück. Mijn personage zou Karl Zehlendorf heten, zijn kinderen maakte ik wat ouder dan ze waarschijnlijk in werkelijkheid waren. Ik wilde in de historische ruimte mijn eigen verhaal projecteren, waarbij ik de gebeurtenissen die in werkelijkheid zeker anderhalve maand zouden hebben geduurd, zou trachten te comprimeren tot een doorgecomponeerd verhaal van één etmaal. Dit naar voorbeeld van Ulysses van James Joyce, dat ik in de jaren negentig las, en de serie 24, die ik in 2001 zag. Het doorcomponeren (dus geen onderbrekingen, geen hoofdstukken, geen herhalingen, geen terugblikken) keek ik af van de opera, zoals het tumultueuze slot van Don Giovanni van Mozart, waar je van de ene scène in de volgende valt en je uiteindelijk de rillingen over de rug lopen.
In oktober werkte ik nog altijd in de vroege ochtend aan het boek en ontwierp ik de bladspiegel met de uitspringende regeltjes in kleinkapitaal. De eerste grote scène die ik helemaal uitschreef, was die waarin Karl het crematorium betreedt, die begint op bladzijde 352 van het gedrukte boek. Ik wist toen dus nauwelijks wie hij was en ook niet wie de leden van het Sonderkommando waren. Die heb ik dus voor het eerst gestalte gegeven in deze scène. Ik vertel dit hier om een beetje inzicht te geven in hoe dit boek tot stand is gekomen. Wie het nu leest, denkt hopelijk dat ik op bladzijde 1 begon en ergens voorbij bladzijde 600 klaar was, maar zo werkt het dus niet. Niet bij mij, in ieder geval.

In december 2020 was ik zo ongeveer klaar met de vertaling en werkte ik aan een podcast over Bach.
Eind februari 2021 draaide ik een eerste versie uit, die een derde van de uiteindelijke omvang had. Er zaten veel gaten in, om iets te noemen: het gegeven dat vrijwel alle personages getuige zijn geweest van de verdwijning van Ernst, bedacht ik pas later. Later heb ik wekenlang gewerkt aan de bewegingen van de personages in de eerste 180 bladzijden, het is zonder meer de ingewikkeldste choreografie die ik ooit ontwierp.
Behalve mijn gezin en een enkele vriend wist niemand dat ik dit boek aan het schrijven was, ook mijn redacteur en mijn uitgever niet, ik beschouwde het werken er aan maar als a strange hobby.
Ik las het manuscript in de verwachting dat het een faliekante mislukking zou zijn, maar toen ik bij die scène kwam waarin Karl midden in de nacht het crematorium binnengaat, dacht ik: zoiets heb ik nog nooit ergens gelezen.

Tegelijk vroeg ik me toen voor het eerst af: lijkt dit niet op The Boy in the Striped Pyjamas? Ik kende dat boek uit 2006 alleen van mensen die me er over hadden verteld, zoals onze bejaarde buurvrouw. Ik wist dat het een jeugdboek was en ik had dus ooit een flits van de verfilming gezien, meer niet, behalve dan dat ik had gelezen over de commotie die destijds was ontstaan over de vraag of het boek een accurate weergave is van de holocaust, aangezien het boek op middelbare scholen wordt gebruikt in het geschiedenisonderwijs over de shoah.
Ik was bang dat het boek ook over een vader ging die zijn zoon zoekt, daarom vroeg ik raad aan onze oudste dochter. Ze was achttien en had drie jaar eerder het boek van Boyne klassikaal gelezen op school. Destijds vond ze het niet best. Het was volgens haar ‘een slecht en kinderachtig jeugdboek’, terwijl ze heus een goed jeugdboek op waarde kan schatten. Dus toen ik er naar informeerde, antwoordde ze met een wedervraag: ‘Why?’
‘Om te kijken of ik niet een halfjaar bezig ben geweest om onbewust plagiaat te plegen.’
Ze bleek haar exemplaar nog te hebben. Ik bladerde naar het eind, alleen om te controleren of ik niet hetzelfde aan het doen was als wat Boyne had gedaan. Ik zag dat in zijn boek de lezer er pas helemaal aan het eind achterkomt wat er met de zoon van de commandant gebeurt. Een zoektocht naar de waarheid over een verdwenen kind speelt geen rol. Mijn boek begint pas echt als de lezer weet wat er met de zoon van de ondercommandant is gebeurd.
Het stelde me gerust, maar desondanks wist ik niet wat ik van mijn eigen project moest denken. Ik kende geen enkel ander boek met deze vorm, het was een experiment en ik twijfelde of het een leesbaar boek zou opleveren.
Het is misschien ook goed om uit te leggen dat een literaire schrijver als ik, die elke keer weer een totaal ander boek schrijft, niet uit is op snel succes door ideeën van andere schrijvers te lenen of te stelen in de hoop op een bestseller. Mijn boek is een experiment en het resultaat van een levenslange liefde voor lezen en een bijna even lange fascinatie voor de Tweede Wereldoorlog.

Vervolgens liet ik Aan het einde van de oorlog meer dan een jaar rusten om Leven met Lidewij te schrijven, naast een reeks korte verhalen en essays.
Later vertelde ik mijn redacteur en uitgever waar ik mee bezig was en hervatte ik het werk aan het boek, vaak om er maar een paar ochtenden verder aan te schrijven en het dan weer te laten rusten. Na de dood van mijn vader in juni 2023 stond ik op het punt er helemaal mee te stoppen, maar begin 2024 besloot ik nog een laatste poging te wagen om alles wat er moest gebeuren in één etmaal te persen. Dat lukte.

Kort na de dood van mijn vader heb ik nog een keer door De welwillenden van Jonathan Littell gebladerd, een boek waar Aan het einde van de oorlog ook vaak mee wordt vergeleken. Bijvoorbeeld in deze fijne recensie in Het Parool, waarin ook nog Schindler’s List wordt genoemd (en trouwens ook Zone of Interest en The Boy in the Striped Pyjamas — die wereldberoemde boeken en films vormen denk ik het referentiekader van veel lezers, maar een schrijver die op grond van deze vier films en boeken een roman als Aan het einde van de oorlog zou schrijven, zou een genie zijn en dat ben helaas ik niet).
Schindler’s List zag ik in het jaar dat de film uitkwam, in 1993, in de bioscoop City in Utrecht. Naast mij zat een verliefd stelletje. De jongen zei bij ieder slachtoffer dat in de film viel dingen als: ‘Zo, die is dood.’ En toen de aftiteling begon, verzuchtte hij: ‘Dat werd tijd, kom we gaan.’ Ik herinner me de discussies over het boek, onder andere aangezwengeld door Claude Lanzmann (maker van Shoah), maar ook een hilarische aflevering van Seinfeld over de film (‘I could have done more!’) en er staan me diverse scènes bij, zoals die van een razzia. In mijn herinnering is het een meesterwerk, maar de afgelopen twintig jaar heb ik er zelden aan gedacht. Dat betekent niet dat deze film niet op de een of andere manier in mijn brein resoneert, daar heeft Het Parool natuurlijk gelijk in, maar zo zijn er tientallen films en honderden boeken die resoneren.
Dat mensen mijn boek met dat van Littell vergelijken, beschouw ik als een compliment, want het is een van de beste boeken die ik ooit las, maar de eerlijkheid gebiedt op te biechten dat het boek nadat ik het in 2007 had gelezen altijd in de kast heeft gestaan, behalve toen ik het aan mijn vader had geleend. Hij gaf het me een week later terug, hij was halverwege, maar hij vond het te afschuwelijk. Nu pakte ik het dus uit de kast en zocht ik het zinnetje over Max Aue dat ik altijd heb onthouden: ‘Maar hij was niet naar Auschwitz gekomen om te filosoferen.’ Dat had ik nog voorgelezen aan mijn vader toen hij het teruggaf, het leeslint zat op die plek tussen de bladzijden. Achter in het boek viel me nu de lijst met rangen van de SS op. Zo’n lijst had ik zelf ook gemaakt achter in mijn eigen manuscript. Ik besloot die lijst eruit te halen, omdat ik dacht: anders gaan mensen zeggen dat ik probeer Littell na te doen. Misschien dat ik die lijst onbewust heb overgenomen, maar in ieder geval heb ik die lijst juist verwijderd omdat ik weg wilde blijven van De welwillenden. Later voegde ik wel een lijst toe van personages, die door mijn uitgever voor in het boek werd opgenomen, met de plattegrond die ik schetste voor mijn redacteur, de persklaarmaker en de corrector. Mijn goede vriend Jean-Marc van Tol werkte die uiteindelijk uit tot het kaartje dat nu ook in mijn boek staat.

De vorm van mijn boek, met honderden perspectiefwisselingen en volledige focus op de handeling, is natuurlijk totaal anders dan die van De welwillenden,met zijn massieve monolieten van alinea’s en pagina’s vol overpeinzingen en theorieën.
Als ik geïnspireerd werd door de vorm van andere romans, dan toch eerder door het ogenschijnlijk rapsodisch opgezette Lincoln in the Bardo van George Saunders, ook een van de beste boeken die ik ooit las. Toen ik dat in 2017 opende, dacht ik: zo kun je dus ook een roman maken. Later heb ik er niet meer naar teruggegrepen om hem na te doen, maar wel hoopte ik zelf ooit ook een experimentele vorm te vinden om een verhaal te vertellen en die vond ik dus drie jaar later, een andere vorm voor een totaal ander verhaal, namelijk mijn verhaal.

Uiteindelijk leverde ik de kopij op 4 augustus 2024 in bij mijn redacteur, toen had ik er met onderbrekingen in de voorgaande vier jaar zo’n twintig maanden aan gewerkt.
Pas daarna, terwijl ik niet meer in de ochtend, maar gedurende een halfjaar volle dagen aan de apotheose van mijn boek had gewerkt, besloot ik op een avond Boynes boek van begin tot eind te lezen. Ik vind het bizar dat me toen pas opviel dat we een karakter met een vergelijkbare rol dezelfde naam hebben gegeven, want de dienstbode Maria wordt al op de eerste pagina van The Boy in the Striped Pyjamas geïntroduceerd. Daarom veranderde ik dus kort voor de drukproef zou worden gemaakt de naam van mijn ‘Maria’ in ‘Annemarie’. Omdat ik bang was dat mensen zouden gaan zeggen wat ze nu helaas ook zeggen: The Boy in the Striped Pyjamas.
Het viel me ook op dat in beide boeken een scène zit waarin de commandant tijdens de maaltijd aan zijn gezin uitlegt wat er uit naam van het nationaalsocialisme in het kamp plaatsvindt. Dat heb ik zo gelaten, net als de rivaliteit tussen het broertje en zijn zus bij Boyne en bij mij de strijd tussen het broertje en zijn broer, die belangrijk is voor mijn plot en voor de goede verstaander ook symbolische waarde heeft.
Sinds ik The Boy in the Striped Pyjamas uit had, wist ik dat ik een totaal ander boek heb geschreven, zeker geen boek (dixit NRC) met ‘een vrijwel identieke gaskamerplot’.

Wat is een plot eigenlijk? Voor veel mensen is dat geloof ik het slot of de ontknoping van een boek, vaak het moment waarop duidelijk wordt wat er ‘is gebeurd’, de onthulling van de informatie die door een manipulatieve verteller al die tijd is achtergehouden, de brandstof waarop de meeste detectives, thrillers en series lopen. Dat is echter een veel te enge opvatting van het begrip ‘plot’. Beter is het om Aristoteles (in zijn Poetica) te volgen. Hij zegt dat de plot ‘de ziel van de tragedie’ is en ‘het geheel der gebeurtenissen’. In zijn opvatting is de plot een keten van oorzaak en gevolg, meer precies: de keten van alles wat er in een tekst gebeurt. Die keten zou ik, volgens een lezer van De Groene dus ‘volledig ontleend’ hebben aan Boynes boek? En volgens de lezers op Hebban zouden de plots dus ‘exact hetzelfde’ zijn? Ik zou die plot gestolen hebben, en dan doen of ik van niets weet?
Mijns inziens hebben de twee boeken juist volkomen verschillende plots. Op zich is het geen wonder dat deze boeken zo verschillen, want ik heb net uitgelegd dat ik alleen van het boek van Boyne had gehoord en dus niet wist hoe het in elkaar zat. Onze boeken kwamen totaal anders tot stand. Hierboven heb ik geschetst hoe mijn boek ontstond met horten en stoten en voortkwam uit research voor een non-fictie boek. Ik werkte er aan in een periode van vier jaar. Bij Boyne ging het spontaan en snel, kennelijk zonder research:
the idea came to me on a Tuesday evening, I began writing on Wednesday morning and continued for 60 hours with only short breaks, not sleeping on Wednesday or Thursday nights and finishing the first draft by Friday lunchtime.
Pas helemaal aan het eind van The Boy in the Striped Pyjamas verneemt de lezer hoe het met het hoofdpersonage Bruno afloopt: als resultaat van zijn vriendschap met de Joodse gevangene Shmuel eindigt hij kennelijk in de gaskamer. Maar er staat helemaal nergens dat de twee jongens in de gaskamer zijn, ze komen in een langwerpige ruimte waar ze geen last meer van de regen hebben en die (een opmerkelijke observatie voor een zevenjarige) ‘completely airtight’ aanvoelt. Het is er wel warm en dat zou een veelzeggend detail kunnen zijn, want zyklon B werkte slecht als het te koud was. Dan sluiten de deuren, wordt het donker en is er sprake van ‘chaos’ (een typisch geval van telling, not showing) waarin Bruno en Shmuel elkaars handen vasthouden als beste vrienden. Van de 216 bladzijden zijn er dan nog slechts drie te gaan, waarin de auteur noodgedwongen het perspectief moet verschuiven van Bruno naar diens vader, de kampcommandant, omdat er nooit meer iets van de jongen wordt vernomen. Vreemd genoeg wordt het kamp, ook al ligt het perspectief niet langer bij de naïeve Bruno, in dat laatste hoofdstuk nog steeds met de kinderlijke woordspeling ‘Out-with’ aangeduid, terwijl we eerder toch lazen dat Bruno zich ervan bewust is dat hij het verkeerd zegt en er door zijn vader op wordt aangesproken, naar wie nu het perspectief is verschoven. Maar goed, in die drie laatste bladzijden wordt het jaar beschreven dat volgt op de verdwijning van de jongen.

Ik heb het niet helemaal uitgeplozen, maar ik denk dat het boek zich afspeelt midden in de oorlog, tussen 1942 en 1944.
Aan het einde van de oorlog speelt zich, zoals de titel verraadt, helemaal aan het einde van de oorlog af, op 20 april 1945. De situatie in mijn boek is dan ook totaal anders. Iedereen in het boek weet, vermoedt of hoopt dat het snel over zal zijn met het Derde Rijk, maar niemand kan voorspellen of hij dan nog leeft. Ook het belangrijkste personage, de ondercommandant van een niet met name genoemd kamp, weet dat niet. Zijn zoon Ernst wordt door een wanhopige en wraakzuchtige gevangene, die zijn penning herkent, vastgegrepen. Door haar toedoen belandt hij in de gaskamer — dit wordt allemaal expliciet beschreven. Dan zijn we op een kwart van het boek en volgen er nog bijna vijfhonderd van de 632, waarin minder dan een etmaal wordt uitgesponnen. We lezen over iedereen die nog een glimp van het lichaam van de zoon opvangt, of zich herinnert hem in levenden lijve te hebben gezien — het tegenovergestelde van Bruno, van wie immers nooit meer iets werd vernomen. De ondercommandant begrijpt uiteindelijk wat er gebeurd moet zijn en trekt zijn conclusies.
Is dat ‘een vrijwel identieke gaskamerplot’? Of is dit gewoon een opvallend en belangrijk element uit de plot van een boek? Is dit niet een van de gebeurtenissen uit de keten van oorzaak en gevolg waaruit de plot bestaat die overeenkomst vertoont met zo’n gebeurtenis uit een ander boek? Waarbij dan ook nog eens het zoontje van de officier op een totaal andere wijze in de gaskamer terechtkomt. In mijn boek is er in de keten van oorzaak en gevolg een duidelijk motief voor de dood van een officierskind in de gaskamer: wraak. Bij Boyne gaat het om toeval, het draait in dat boek bovendien om een jongen (Shmuel) die zijn vader zoekt en daarbij wordt geholpen door een vriend, dat is toch heel iets anders dan een vader die zijn zoon zoekt en die door bijna iedereen die hij spreekt is waargenomen, terwijl bijna niemand daar iets over zegt.

Laten we eens naar twee andere boeken kijken die een cruciale gebeurtenis delen: iemand rijdt een kind dood. Niemand zal toch beweren dat P.F. Thomése zijn idee voor Black-Out heeft gestolen van Herinneringen van een engelbewaarder van W.F. Hermans? Of dat die boeken dezelfde plot hebben?

De vertelde tijd in het boek van Boyne is naar mijn inschatting zo’n 17.520 uur (namelijk twee jaar); de vertelde tijd in mijn boek is minder dan 24 uur. Alleen daarom al kan die plot onmogelijk ‘vrijwel identiek’ zijn.
Dat alles in een etmaal plaatsvindt is essentieel, maar ook dat de lezer alles weet en de personages alleen hun eigen werkelijkheid hebben. Voor dat inzicht ben ik schatplichtig aan een collega. Dat in Aan het einde van de oorlog geen informatie wordt achtergehouden, heb ik namelijk te danken aan De pelikaan van Martin Michael Driessen. Toen ik deze fantastische roman in 2017 las, was ik danig onder de indruk van het literaire va banque dat de schrijver speelt, want hij gooit alles wat er te weten valt meteen op tafel. Het boek gaat over twee mannen die iemand afpersen en alleen de lezer weet dat ze elkaar afpersen. In De pelikaan is niet de verteller, maar de lezer alwetend. In mijn boek ook.

De boeken (en films) die ik hierboven heb genoemd hebben mij op de en of andere manier geholpen bij het schrijven van mijn roman, maar niet het boek van Boyne. Ook de verfilming niet, ik heb die film, op dat ene fragment na, nooit gezien. Ik wil hem ook niet zien.
De ruim 450 bladzijden (zo’n 175.000 woorden!) die in mijn boek volgen als de lezer rond bladzijde 160 beseft wat er met Ernst is gebeurd, worden in Boynes boek samengevat in een halve zin van minder dan 30 woorden:
Several days later, after the soldiers had searched every part of the house and gone into all the local towns and villages with pictures of the little boy (…)
Blijkbaar draait het in deze twee boeken om iets anders. In een vergelijkbare setting hebben ze dan ook een andere hoofdpersoon, namelijk respectievelijk een zoon en een vader, dat lijkt me een nogal essentieel onderscheid. Bruno kun je de held van het verhaal noemen, Karl lijkt me toch op zijn hoogst een antiheld.
Dan het thema. Ik weet nooit goed wat het thema van mijn boeken is, maar ik zal een poging doen. Op het voorplat van mijn dochters editie van The Boy in the Striped Pyjamas staat: ‘A story of innocence in a world of ignorance.’ Achterop heet het: ‘Lines may divide us, but hope will unite us…’ Mijn uitgever laat het wel uit zijn hoofd om met dergelijke rijmende kitsch mijn boek aan te prijzen, vooral omdat mijn boek zich werkelijk in de verste verte niet met die woorden laat samenvatten. Dat zou toch op zijn minst een beetje het geval zijn bij twee boeken die dezelfde plot hebben. Toen ik het idee kreeg voor mijn boek en die flaptekst en die eerste scène schreef, openbaarde zich mijn thema misschien al: hoe kun je recht doen op een plek van onrecht? Een ander thema, dat in een uitstekende recensie in de Volkskrant werd aangestipt, past ook goed bij de vorm van het boek, met zijn meer dan dertig perspectieven: wat is waarheid?

Kortom, toen ik aan Aan het einde van de oorlog begon, wist ik dat Boynes boek bestond en vaag waar het over ging, gaandeweg het proces werd ik me er bewust van dat de mogelijkheid bestond dat wat ik schreef zou lijken op The Boy in the Striped Pyjamas, maar al bladerend in dat boek zag ik dat er in een soortgelijke setting slechts één cruciaal gegeven hetzelfde was en toen ik het boek van Boyne uiteindelijk las, zag ik mijn eerdere oordeel bevestigd en veranderde ik de naam van een personage. Dat is alles.
Het boek van Boyne is geen inspiratiebrom voor mij geweest. Er zijn, zoals ik hierboven laat zien, genoeg boeken en films waar ik van alles aan heb ontleend bij het ontwikkelen van Aan het einde van de oorlog, maar The Boy in the Striped Pyjamas behoort daar niet toe. Deze twee boeken spelen in een vergelijkbare arena en ze delen een essentieel gegeven. Als mensen dat willen benadrukken, vind ik het best, de scout die een synopsis voor de internationale markt schreef, noemde die overeenkomst ook, maar mijn boek is niet het product van een diefstal die ik zou ontkennen en de plots lijken in de verste verte niet op elkaar.
