Kerstverhaal

Tien jaar geleden schreef ik op uitnodiging van mijn uitgeverij een kerstverhaal, maar de redactie vond het niet goed genoeg om het op te nemen in een bundel. Ik moest er vandaag aan denken en zocht het op. Best een leuk verhaal, vind ik.

Laat Jezus ons maar niet horen

Arne vond het geen goed idee dat we met Fritjof kwamen aankakken. We legden uit dat Stof al naar Limburg was vertrokken om met zijn ouders en zijn broertjes en zusjes Kerstmis te vieren, maar hij geloofde het niet; volgens Arne lag Christoffel gewoon met een kater in zijn bed te meuren. Het moest toch maar Fritjof worden, want Arne was niet van plan zelf te gaan lopen en nu nog een vervanger bellen had natuurlijk geen zin, dat begrepen we zelf ook wel. We werden bedankt.

Elke beweging die Arne maakte, hoe klein ook, werd begeleid door gerinkel van kleingeld in de zakken van zijn smoezelige donkerblauwe colbert met gouden knopen en de bijpassende afzakkende broek. Als hij een wenkbrauw optrok, gaven de guldens en rijksdaalders in zijn pak nog antwoord.

Die nieuwe, besloot Arne zuchtend, zou zich in ieder geval niet vertillen. Het was alleen te hopen dat hij Stofs maat had, want Arne had maar vier kostuums bij zich, omdat we vandaag maar met zijn vieren hoefden te zijn. Bij een grotemensen-uitvaart waren we meestal met acht man, vier jongens uit een ander huis.

Arne vouwde een formulier op en zei: ‘Nou, het moet maar. Net twintig is ze geworden, jongens. Jaar en kilo. Dus niet schrikken. Zo kan het ook jongens, dat je niet ouder wordt dan jullie nu zijn. Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.

‘Ik heet Fritjof, hoor,’ probeerde Fritjof.

In de consistoriekamer kleedden we ons om: glimmende schoenen, grijs kostuum, witte handschoenen en wit vest, zwarte hoge hoed en een uitgestreken smoelwerk.

Arne gaf Fritjof instructie over het tillen van de kist, dat we oefenden met een bananendoos vol oude Volkskranten en parochieblaadjes die hij in het keukentje naast de consistoriekamer had gevonden. ‘En niet in de die kist kijken,’ waarschuwde hij. 

Wij liepen door het gangetje naar buiten om in vol ornaat een sigaret te roken. Ook de pastoor en de koster kwamen bij ons staan en bietsten een peuk. Het was koud; we stonden dichter op elkaar dan we in de zomer zouden doen. We zogen niet zozeer de nicotine naar binnen als wel de warmte van het gloeipuntje.

Rond het kerkplein stonden in een halve cirkel prachtige oude herenhuizen. Door de ramen zagen we de lampjes in de kerstbomen branden. Het grootste van de panden was gekraakt. Uit een open raam klonk ruige muziek. Vanaf het dak hing een lang zwart spandoek, waarop met witte letters stond gekalkt:

G

i

v

e

P

e

a

c

e

a

C

h

a

n

c

e

!

Daaronder had iemand kleiner met rood geschreven:

en

ons

een

HUIS

Een jongen met een lange leren jas aan tilde zijn fiets uit de deur en reed weg. Toen hij langs ons reed, zei hij snel: ‘Stelletje godverdomde klootzakken!’

‘Laat Jezus het maar niet horen,’ riep de pastoor terug. Hij en de koster gingen naar binnen en wij wachtten tot we de stapvoets naderende droeve stoet zagen, met aan kop een machtige Amerikaanse slee.

Arne en Fritjof kwamen buiten. Arne monsterde onze uitdossing, schikte hier en daar een das waarna we buitenom naar de ingang van de kerk liepen. Tegen de glimmende lijkenlimo stond een vriendelijk uitziende man. Hij knikte en wees met de stomp van zijn sigaar naar de kerk. Het kistje had hij al in zijn dooie eentje bovenaan de trap klaargezet, onder het afdakje, want er was sneeuw voorspeld.

‘Ja,’ stelde de pastoor vast, zijn ogen ten hemel richtend. ‘Dat hadden we ook afgesmeekt.’ Hij zei het alsof God voor hem een automaat was waarin je maar een kwartje hoefde te gooien om een kauwgombal te krijgen.

Erbarmelijk klein stond daar de doodskist met het meisje moederziel alleen te zijn. Dat was even schrikken, al had Arne ons gewaarschuwd. Wij keken ook naar boven. We hielden het nog even droog.

Alsof hij het net als wij al maanden deed, tilde Fritjof met ons de kist op de schouder, die zo weinig woog dat het leek of hij leeg was.

Arne hield de deur open en een van ons nam de leiding over, door zo goed als onhoorbaar voor de nabestaanden afgepaste bevelen te fluisteren: laag, hoog, loop, stop, laag, los, weg.

We kwamen de kerk binnen. Op een bord onder het orgel werd voor 19.00 uur die avond de Nachtmis voor Uw kinderen aangekondigd. Naast het altaar stond een kerstboom, maar de lampjes waren uit. De levensgrote kerststal werd verlicht door waxinelichtjes in glazen bakjes. Als een erewacht flakkerden aan weerszijden van het gangpad rijen kaarsen in grote koperen kandelaars.

Daar schoven onze gladde leren zolen over de glanzende zerken van de doden van weleer.

We doen dit voor het geld, hielden we onszelf voor. Dit is niet ons verdriet.

Helemaal vooraan zetten we de kist neer en openden we het deksel. Toen we als één man een stap opzij deden, trok een siddering door de kerk. Fritjof onderdrukte een nies of een snik, waarna we zo stil mogelijk binnendoor in de consistoriekamer verdwenen.

Arne stond ons tevreden op te wachten. Hij zei: ‘Hij deed het goed, die maat van jullie.’

Niemand zei wat terug. We gooiden onze hoeden en handschoenen op tafel en liepen achter Fritjof het gangetje in, om buiten op adem te komen met een sigaret.

Fritjof zag bleek.

‘Je hebt toch niet in die kist gekeken?’

Hij inhaleerde diep.

‘Gaat het?’

‘Ik rook nooit zoveel.’

‘Nee, je stinkt al van jezelf, Frietkot.’ Dat was de bijnaam die hij bij ons in huis had, doordat hij altijd zo stonk als hij terugkwam van zijn bijbaantje in de snackbar om de hoek. Gelukkig bleef de lijklucht niet aan ons kleven. Misschien wilde Fritjof daarom zo graag met ons mee vandaag.

We lachten wel, maar niemand voelde zich lekker.

Toen het te koud werd, trapten we de peuken uit en schopten we ze een put in, waarna we weer naar binnen gingen. Arne zat naar de plechtigheid te gluren.

Wij hadden genoeg gezien.

‘Zoals ik zei, je hebt talent, maat. Hoe heette je, zei je?’

‘Fritjof,’ antwoordde Fritjof. ‘Hoe heet zij eigenlijk?’

Hoe je heette dat ben ik vergeten,’ zong Arne. ‘Wist je niet dat ik dat niet mocht zeggen? Tenzij jij raadt dat ze de naam draagt van een beroemde wiskundige.’

Daar kwamen we natuurlijk nooit achter.

We hielden ons stil. Alleen Fritjof maakte wat geluid toen hij in het gangetje naar de wc schuifelde.

Wij hoorden door de kier vanuit de kerk een kraakhelder sneeuwwit engelensopraantje Kon ik maar even bij je zijn zingen.

De koster kwam uit het keukentje met een grote pot thee, een ouderwetse koektrommel en twee stapeltjes breed uitlopende aardewerken kommen zonder oren.

Hij verdween, het dienblad onder zijn arm, sloffend in het keukentje.

Wij vulden de vermaledijde minuten met mistroostig geslurp van de te hete thee uit de onhandelbare kommen, bakken waar gewone mensen soep uit lepelden. De mariakaakjes werden knarsetandend door de kaken van Arne vermalen. Hij wilde geen thee.

Fritjof bleef lang weg. Hoe kon iemand op dit uur gaan poepen?

In de kerk zongen ze met zijn allen Stille nacht en Arne neuriede mee. Onvermoeibaar loerde hij de kerk binnen, zich af en toe omdraaiend om nog een koekje te pakken.

Lieflijk Kindje met goud in ’t haar,’ zongen de mensen.

Je zou denken dat Arne het vak van zijn vader had geleerd, maar hij bleek na zijn studie algebra de Studenten Baardragers Broederschap te hebben opgericht, die ondanks het antiek aandoende goudbeletterde en glanzend zwarte vaandel amper vijftien jaar bestond.

‘Kom, mannen, tijd voor jullie koude kunstje,’ gebood Arne.

We kwamen overeind en namen voor we onze hoeden opzetten nog een laatste slok thee. De hoed van Fritjof bleef op tafel liggen.

‘Waar was die gabber van jullie gebleven?’

‘Op de plee.’

Met licht gerucht liep Arne het gangetje in en klopte op de deur. ‘Was jij al klaar?’

Fritjof zei iets terug dat wij in de consistoriekamer niet konden verstaan.

We keken elkaar aan. Stront aan de knikker.

Terwijl het gesprek aan weerszijden van de wc-deur doorging, loerden wij voorzichtig de kerk in. Sommige rouwenden droogden hun tranen of snoten onhoorbaar hun neus, anderen keken roerig om zich heen.

‘Goed, ik snap dat je aangedaan bent,’ hoorden we Arne met ingehouden woede zeggen. ‘Maar ze kunnen niet met zijn drieën. Ik kan het ook niet van je overnemen… Omdat ik geen kostuum heb, knurft…’ Wij konden niet horen wat Fritjof zei, maar opeens riep Arne enthousiast: ‘Afgesproken!’

De wc-deur ging open en meteen sprong Arne op Fritjof af en gaf hem een kopstoot. Een spoor dun bloed spoot uit zijn neus en stroomde over het witte vest met de parelmoeren knoopjes. Wij bezagen het tafereel met verbijstering. Te verbluft om in te grijpen.

‘En nou uit!’ zei Arne. Hij trok Fritjof aan zijn mouw mee de consistoriekamer in en daar begonnen ze zich allebei uit te kleden. Arne gooide met een woest gebaar zijn blauwe pak over de leuning van een zware eikenhouten stoel. Rinkelend viel het kleingeld op de stenen tegels. De rol bankbiljetten die hij altijd bij zich had, stak hij tussen zijn tanden. Net toen ze in hun ondergoed stonden, Fritjof nog bloedend, Arne met een mondvol geld, duwde de pastoor de deur open en begon op gedempte toon te zeggen: ‘Heren als u zich…’ Hij knipperde even met zijn ogen en mompelde: ‘Lieve Jezus!’

De koster kwam nu ook binnen, het dienblad onder zijn arm. Uit zijn zak haalde hij een roodgeblokte stoffen zakdoek en gaf die aan Fritjof.

De pastoor bleef in de deuropening staan en fluisterde: ‘Kan ik op jullie rekenen?’ Hij keerde zich om, aarzelde een moment en draaide toen zijn hoofd weer in onze richting: ‘Stelletje godverdomde klootzakken?’

Zonder gerucht begon de koster de koppen op het dienblad te zetten.

Arne staarde de pastoor aan, balancerend op één been, maakte een bezwerend gebaar, en zei tussen zijn tanden: ‘Weleerwaarde…’ maar de man was verdwenen.

‘Als dit mij de kop kost, jou ook,’ beet hij Fritjof toe, toen hij de biljetten in de zak had gestoken van de grijze broek die hij hinkelend verder aantrok. ‘Lummel.’

Een minuut later lieten we Fritjof nadruppelend achter en liepen we aangevuld met Arne in slagorde de kerk in. Het gelukkig gesloten vederlichte kistje werd door ons naar de begraafplaats achter de kerk gedragen. De pastoor zwaaide woest met zijn wierookvat. Het leek of hij iemand wilde te raken.

We wachtten tot iedereen ons was gevolgd en plaatsten het kistje op de lift. Diepbedroefd stonden de nabestaanden voorovergebogen tegen de aanwakkerende wind rond het graf, beschenen door olielampen, die onrustig in de cipressen en treurwilgen bungelden.

Arne trok de jas van het bebloede en te ruime kostuum recht, gaf zijn hoed die over zijn oren dreigde te zakken een tikje en maakte met een knikje duidelijk dat wij vast terug konden gaan.

In de consistoriekamer kleedden we ons om. Zonder hoeden, in onze versleten spijkerbroeken en afgetrapte brogues leken we weer een vier zonder stuur.

In afwachting van ons salaris rookten we buiten een sigaret. De koster kwam er weer een bietsen, maar zei niets. Niemand had hem ooit horen spreken. In zijn hand hield hij als een heilig relikwie de zakdoek vol Fritjofs bloed.

We gingen naar buiten en daar kwam Arne net aan. De hoed stond schuin achterop zijn hoofd, zoals je een pet draagt, en steunde op zijn oren. Zijn blik verried niets. Hij pelde voor ieder van ons een briefje van vijfentwintig gulden van een dikke rol biljetten en stak het ons toe.

Achter hem zagen we de nabestaanden, die in kleine groepjes het kerkplein verlieten.

Fritjofs fiets stond nog steeds met drie sloten aan die van ons vastgeklonken. Dat was Arne ontgaan. Hij zag zelfs de vuist van Fritjof niet aankomen. De slag was zo raak, zo hard en zo gemeend dat Arne ervan achterover sloeg. Het klonk akelig. Gestrekt lag hij op de kinderkopjes.

Geen van ons maakte aanstalten hem overeind te helpen.

We liepen naar de fietsen en stapten op. Arne had zich op het natuurstenen trapje voor de deur gehesen, de van zijn hoofd gerolde hoge hoed lag ondersteboven aan zijn voeten. Hij sprak ons toe alsof er niets aan de hand was: ‘Vrijdag de volgende klus, hè? Ik zie jullie om kwart voor elf bij de Pieterskerk.’

‘Nee, ik kom niet meer.’

‘Ik ook niet. Nooit meer.’

‘Never nooit niet.’

‘Bekijk het maar.’

‘Wat? Denk toch aan het geld!’ Uit zijn zak diepte Arne de rol biljetten op. Hij gooide hem een paar keer op en neer in zijn hand.

Niemand dacht blijkbaar aan het geld.

‘Jullie krijgen het dubbele. Vrijdag.’

Daar deden we het niet voor.

‘Altijd. Het dubbele!’

‘Nee, Arnout, vergeet het. Voorgoed!’ riep Fritjof.

‘Arne! Het is Arne, hoor je dat?’ schreeuwde Arne, furieus met het rolletje geld zwaaiend, dat daarbij losraakte, waarna de biljetten even kort om hem heen dwarrelden voor ze rond hem op de grond landden. In plaats van het geld op te rapen, betaste hij zijn achterhoofd. Verbaasd keek hij even later naar zijn handen, rood van het bloed.

Wij bleven met Fritjof rondjes voor de kerk fietsen.

Het was of Arne nu pas begreep wat er was gebeurd. Hij stond op, hij priemde een vinger in de richting van zijn belager en schreeuwde woedend: ‘Jij, jou! Jou kom ik nog wel eens een keer tegen!’

Fritjof haalde ongenaakbaar zijn schouders op en zei alleen tegen ons: ‘Kom, we gaan kijken of Stof tot Stof is wedergekeerd.’

We reden het kerkplein af en hoorden de overslaande stem schel weerkaatsen tegen de gevels van de huizen: ‘Alle drie. Rond of in een kist!’

Fritjof hield zijn trappers stil en lachte hard. Wij keken naar hem om. Zelfs in de schemering zag je duidelijk het geronnen bloed in korsten rond zijn neus. Hij fietste naar ons toe, staand op zijn trappers.

Hij zei: ‘Hé, kijk het sneeuwt.’

Toen voelden wij het ook. Achter ons luidde de koster de klok.

‘Je had harder moeten slaan.’

‘Nou… Vrede op aarde en in de mensen een welbehagen.’

En een schop in de ballen zul je bedoelen.’

‘Zeg, Frietkot, zou die snackbaas van jou op Kerstavond nog wat gepaneerd slachtafval in het vet willen gooien voor een stelletje hongerige godverdomde klootzakken als wij?’