De Nijntje-alexandrijn

In zijn radiocolumn voor Druktemakers hoorde ik Marcel van Roosmalen zeggen dat hij in de nasleep van ‘Utrecht’ een Nijntje met een traan had gedeeld op sociale media, voorzien van een lang gedicht (het zal wel ironisch bedoel zijn): ‘De eerste zin rijmde op de derde zin en de tweede op de vierde, de papa’s en de mama’s onder de luisteraars weten dat het in de boekjes van Nijntje ook zo gaat.’

Zo gaat het dus niet in de boekjes van Nijntje. Ten eerste moet je niet van zinnen spreken, maar van regels. Elk boekje over Nijntje is opgedeeld in vierregelige strofes, en het kenmerkende van die vier regels is dat het in wezen een soort in tweeën gedeelde alexandrijnen zijn.

Een alexandrijn is een zesvoetige jambe, waarin op de helft een kleine pauze (cesuur) valt, zoals in deze regels uit een emblemata-bundel van Heinsius:

Beneden ben ick heet/ van boven toeghesloten/
Van boven worter gantsch gheen water in gegoten/
Van onder viers genoech/O doodt/ O wreede doodt,
Waert dat ick sterven cond’ zoo waer ick uyt de noodt.

Dick Bruna voegt aan de klassieke alexandrijn een jambe toe en maakt er wat ik zou willen noemen de Nijntje-alexandrijn van, een jambische zevenvoeter met een cesuur na de achtste lettergreep:

zeg nijn, zei vader op een dag
ik heb een goed idee
ik ga eens naar de dierentuin
wil jij soms met mij mee

de dierentuin riep nijntje uit
hoi-hou, dat vind ik fijn
maar dat is toch wel heel ver weg
gaan wij dan met de trein

In deze Nijntje-alexandrijn rijmen alleen de tweede en de vierde regel. Zoals gezegd: vrijwel altijd mannelijk, dus eindigend op een beklemtoonde lettergreep.

Volgens mij vergt het geen diepgaande studie om te kunnen bepalen wat het rijmschema van Nijntje is: niet a/b/a/b, zoals Van Roosmalen denkt, maar a/b/c/b.

[het beeld komt van de website over emblemata van de Universiteit Utrecht]