Rutte vs Bach

[vandaag in NRC een ingezonden brief van mij over het cultuurbeleid, de versie die in de krant staat is prima, maar eigenlijk was het de bedoeling dat deze in de krant kwam:]

De Tweede Kamer debatteert vandaag over het cultuurbeleid. Interessant, aangezien we nog steeds een premier hebben die ooit beweerde dat kunstenaars met hun rug naar het publiek staan en met hun hand naar de overheid.

De bezuinigingen in de cultuursector hebben er voor gezorgd dat veel mensen in deze sector nauwelijks een redelijk inkomen verdienen. Ze moeten bijbaantjes nemen om in hun onderhoud te voorzien.

In Zomergasten beweerde minister-president Rutte dat klassieke muziek het allerhoogste is wat de mens kan bereiken, dat geldt met name voor Bach.

Rutte is blijkbaar onbekend met de strubbelingen die Bach voerde met het stadsbestuur van Leipzig. Bach was belast met muziekonderwijs en de kerkmuziek in de stad. Zijn ambities waren echter groter: ieder jaar opnieuw componeerde hij voor elk van de meer dan vijftig zondagen en hoogtijdagen in de Lutherse kerkkalender een hoogstaande cantate.

In een beroemd memorandum van Bach uit 1730 (Entwurff einer wohlbestallten Kirchen Music) beklaagde Bach zich ten einde raad bij het stadsbestuur over het feit dat zijn musici door de stad zo slecht werden betaald dat ze om rond te komen moesten bijbeunen op bruiloften en partijen, waardoor ze geen tijd hadden de moeilijke stukken van Bach in te studeren. Hij vroeg zich af: ‘Denn wer wird ümsonst arbeiten, oder Dienste thun?

Een andere frustratie van Bach was dat door geldtekort en de grote tijdsdruk het muziekonderwijs waarvoor hij zelf verantwoordelijk was noodgedwongen tekortschoot, waardoor ongeoefende scholieren muziek moesten zingen die ze eigenlijk pas na jaren instructie aan zouden kunnen.

Bach betoogde dat muziek zich nu eenmaal ontwikkelde en de muziek van zijn voorgangers niet meer ‘van deze tijd’ was. Volgens Bach werden door de opstelling van het stadsbestuur zijn werk en persoon geen recht gedaan. Als er niet meer geld kwam, zei Bach, kon hij onmogelijk de kwaliteit van de muziek garanderen.

Het stadsbestuur schoof de klacht van Bach terzijde; Bach werd immers niet betaald om muziek te componeren die de meeste gemeenteleden boven de pet ging, waarin de evangelische boodschap ondergeschikt was aan het contrapuntische vernuft, en die zo lastig was dat je haar niet in één keer van papier kon spelen.

Ach ja, laat die klagende kunstenaars, rug naar het publiek, hand naar de overheid, want ze hebben geen andere keus dan voor een hongerloontje hun werk te doen: kunst is hun passie, ze gaan toch wel door.

Bach ging niet door, na de eerste tijd in Leipzig als een dolle cantates te hebben gecomponeerd (zo’n driehonderd in zes jaar), stopte hij daar na 1730 vrijwel geheel mee.  Als je het mij vraagt omdat de gemeente Leipzig hem niet de middelen gaf om zijn muziek te kunnen uitvoeren, de muziek die onze premier tot het allerhoogste acht waartoe de mensheid in staat is. Het eerstvolgende document van de hand van Bach dat in de archieven te vinden is, is een brief die hij aan een oude vriend schrijft met de vraag of hij misschien een betrekking voor hem wil zoeken in Danzig.

Het is makkelijk om kunst, zoals de meesterwerken van Bach, die tot de canon behoort te waarderen en daarmee je goede smaak te tonen, maar als je geen oog hebt voor de noden van kunstenaars in je eigen tijd, sta je niet aan de kant van Bach, die pleitte voor voldoende middelen voor goed muziekonderwijs, voor een behoorlijk salaris voor musici en aandacht voor moderne muziek, maar aan de kant van het stadsbestuur van Leipzig, dat hem negeerde alsof hij de eerste de beste hobbyist was.

Wie de kunst het hoogste acht waartoe de mens in staat is, ontfermt zich over de kunstenaars.