Rutte en Bach

Afbeeldingsresultaat voor zomergasten bach rutte
De Tweede Kamer debatteert morgen over het cultuurbeleid. Interessant, aangezien we nog steeds een kabinet hebben dat wordt geleid door een premier die enkele jaren geleden beweerde dat kunstenaars met hun rug naar het publiek staan en met hun hand naar de overheid.
De bezuinigingen in de cultuursector die toen werden doorgevoerd hebben er voor gezorgd dat veel mensen die werkzaam zijn in deze sector nauwelijks meer een redelijk inkomen kunnen verdienen. Ze moeten bijbaantjes nemen om in hun onderhoud te voorzien, terwijl ze in hun vak op het hoogste niveau functioneren.
In Zomergasten beweerde minister-president Rutte dat klassieke muziek hem enorm emotioneert omdat hij beseft dat ondanks alle ellende in de wereld de mens ook in staat is om iets te maken op het allerhoogste niveau denkbaar.
Rutte vereert de late Beethoven, Liszt, Bruckner en met name Bach: diens Matthäus Passion, de Goldbergvariaties en bijvoorbeeld de Kunst der Fuge noemt hij hoogtepunten uit de klassieke muziek.
De minister-president is blijkbaar onbekend met de strubbelingen over geld die Bach voerde met het stadsbestuur van Leipzig, waar hij vanaf 1723 in dienst was. Je zou Bach in die tijd een gemeenteambtenaar kunnen noemen die belast was met het verzorgen, (uitdrukkelijk niet het componeren) van de muziek voor de zondagse diensten in de belangrijkste kerken van de stad. Bachs ambities waren echter groter: hij koos ervoor om elk jaar opnieuw voor elk van de meer dan vijftig zondagen en andere hoogtijdagen in de Lutherse kerkkalender een cantate te componeren.
In een beroemd memorandum van Bach uit 1730 (Entwurff einer wohlbestallten Kirchen Music) beklaagde Bach zich ten einde raad bij het stadsbestuur over het feit dat zijn musici door de stad zo slecht werden betaald dat ze om rond te komen moesten bijbeunen op bruiloften en partijen, waardoor ze geen tijd hadden de moeilijke stukken van Bach in te studeren. Hij vroeg zich af: ‘Denn wer wird ümsonst arbeiten, oder Dienste thun?’
Een andere frustratie van Bach was dat door geldtekort en de grote tijdsdruk het muziekonderwijs  waarvoor hij zelf verantwoordelijk was noodgedwongen tekortschoot, waardoor ongeoefende scholieren muziek moesten zingen die ze eigenlijk pas na jaren instructie zouden aan kunnen.
Bach betoogde dat muziek zich nu eenmaal ontwikkelde en de muziek van zijn voorgangers niet meer ‘van deze tijd’ was. Volgens Bach werden door de opstelling van het stadsbestuur zijn werk en persoon geen recht gedaan. Als er niet meer geld kwam, zei Bach, kon hij onmogelijk de kwaliteit van de muziek garanderen.
Het stadsbestuur schoof de klacht van Bach terzijde; Bach werd immers niet betaald om muziek te componeren die de meeste gemeenteleden boven de pet ging, waarin de evangelische boodschap ondergeschikt was aan het contrapuntische vernuft, en die zo lastig was dat je haar niet in één keer van papier kon spelen.
Ach ja, laat die klagende kunstenaars, rug naar het publiek, hand naar de overheid, want ze hebben geen andere keus dan voor een hongerloontje hun werk te doen: kunst is hun passie, ze gaan toch wel door.
Bach ging niet door, na de eerste tijd in Leipzig als een dolle cantates te hebben gecomponeerd (zo’n driehonderd in zes jaar), stopte hij daar na 1730 vrijwel geheel mee. Als je het mij vraagt omdat de gemeente Leipzig hem niet de middelen gaf om zijn muziek te kunnen uitvoeren, de muziek die onze premier tot het allerhoogste acht waartoe de mensheid in staat is.
Het is makkelijk om kunst die tot de canon behoort te waarderen en daarmee je goede smaak te tonen, maar als je geen oog hebt voor de noden van kunstenaars in je eigen tijd, sta je niet aan de kant van Bach, die pleitte voor genoeg middelen voor goed muziekonderwijs, voor een redelijk salaris voor musici en aandacht voor moderne muziek, maar aan de kant van het stadsbestuur van Leipzig, die hem negeerde alsof Bach de eerste de beste hobbyist was.
Wie de kunst het hoogste acht waartoe de mens in staat is, ontfermt zich over de kunstenaars.