Fragment

Er valt nogal eens iets van mijn werktafel. Dit bijvoorbeeld, het begin van een passie-oratorium dat ik nooit zal afmaken.

‘Sinds mijn dood is er veel over mijn tijd op aarde gezegd. Ik leefde tweeduizend jaar geleden – nee, dat is me niet aan te zien, dank u. Mensen vragen me weleens hoe ik zo jeugdig blijf. Vrouwen zijn jaloers op mijn teint. Net bij de schmink zei de grimeuse: daar kan ik niets aan verbeteren. U straalt, meneer Christus.
Zeg maar je, zei ik. Jezus is de naam.
Het prettige van dood zijn en toch bestaan is dat je tegelijk mens en ding kunt zijn. Wel waken, niet slapen. Wel lullen, niet pissen. Geest, geen lichaam.
Jullie kunnen me zien maar niet aanraken.
Ik sta hier niet echt, mensen. Jullie doen maar alsof.’