Nog even over 4 mei

In een inmiddels verworpen versie van het boek waaraan ik nu bezig ben, vond ik deze volzin over de Dodenherdenking:

Gedurende mijn hele jeugd dwaalden mijn gedachten tijdens Dodenherdenking traditiegetrouw af naar zaken die niets met de Tweede Wereldoorlog van doen hadden, zoals mijn vriendjes uit de buurt, hoe zij thuis net als ik met het gezin rond een lege tafel zaten en met een leeg hoofd probeerden zich iets ergs voor de geest te halen, in de wetenschap dat we de volgende dag weer buiten gingen spelen, cowboys en indianen, gewapend met takken als geweren (lange) of pistolen (korte) zouden we door de gangetjes achter de huizen tijgeren, langs de ligusterhagen sluipen, elkaar in een hinderlaag lokken en wie de ander het eerst in de gaten kreeg, riep dat hij schoot (pang) en de ander was dood, een dood waaruit je na hardop tot dertig tellen kon opstaan; ik bedoel dat de dood ver weg of niet onoverkomelijk was in mijn leven, vandaar dat ik honderd en twintig seconden lang dacht aan wat ik voor mijn verjaardag zou vragen, en later de borsten van vriendinnetjes die voor mijn onwillige geestesoog zweefden of dingen die ik nog moest doen, of weet ik wat, alles behalve afgevoerde joden of gefusilleerde verzetsstrijders, en toen ik dus bijna achttien was en al jaren de twee minuten uitzat zonder gepaste gedachten aan welk aspect van de bezetting dan ook, begreep ik eindelijk dat mijn vader achter de handen waarmee hij zijn gezicht bedekte niet tussen zijn vingers door zat te loeren om vast te stellen dat ik weliswaar zwijgend maar evenwel dwangmatig zat te fantaseren over hoe ik me zou voelen als mijn cavia op een ochtend dood in zijn kooitje zou liggen, of — toen ik wat ouder was — als mijn meisje het uitmaakte, in plaats van dankbaar maar bedroefd over de gevallenen te mediteren, terwijl hij krampachtig probeerde de tranen te verhullen die hij elk jaar weer liet over zijn in het kamp door de moffen vermoorde kameraden.