Villetta

Een van de twee Baarnse huizen waarin Lodewijk van Deyssel heeft gewoond staat te koop: het charmante Villetta (1875). Helaas is de vraagprijs van € 1.100.000,- boven het budget van een modale schrijver anno 2018. Van Deyssel vreesde zelf rond de eeuwwisseling dat het huis niet lang meer zou blijven staan en verhuisde in 1901, nadat er een inzameling was gehouden om kapitaal te vergaren, naar het aan de overkant gelegen huis De bremstruik, dat onder architectuur van K.P.C. de Bazel speciaal voor de schrijver was gebouwd (op instagram vond ik dit filmpje, gemaakt vanaf het balkon van Villetta, met uitzicht op De bremstruik).

Afbeeldingsresultaat voor lodewijk van deyssel

Van Deyssel, getekend door Jan Veth (Teylers Museum)

Halverwege jaren tachtig maakte ik deel uit van een grote groep vrienden die elke avond bij elkaar kwam in de tuin van het huis De Wingerd aan de Nassaulaan te Baarn. Een van de vrienden die daar ook kwam, was Peter van de(n) Bo(o)gaard, bijgenaamd Boog, en hij woonde met zijn ouders en een oudere broer in Villetta. Boog had de kamer recht boven de ingang, waarvoor je nog een trappetje op moest als je al op de overloop was. Ik ben vaak bij hem op bezoek geweest. Toen hij longontsteking had, kwam ik bijna elke dag bij hem. We draaiden platen van Camel, Pink Floyd (The Final Cut, die toen net uit was) en de Edgar Allan Poe-plaat van Alan Parsons Project. Zijn bezorgde moeder liet me dan uit, door de openslaande deuren aan de voorzijde en als ik omkeek stond Boog in zijn pyjama op het balkonnetje naar me te zwaaien.

Diverse keren heb ik over dat huis geschreven, maar altijd in scènes die de uiteindelijke versies van mijn romans niet haalden.

Toen ik er kwam, was er weinig in het huis wat aan Van Deyssel herinnerde, maar altijd als ik het toen nog witgepleisterde Villetta binnenkwam, kreeg ik het idee een vervlogen tijd te betreden, want door de openslaande deuren belandde je in een heuse antichambre en ik stelde me voor dat hier mensen werden ontvangen die Van Deyssel wilden spreken. En mocht hij bevangen zijn door een lichte ongesteldheid, kon men zijn kaartje achterlaten en vertrekken. Meteen achter die antichambre bevond zich de hal, met de kapstok, de wc en de trap naar boven.

Ik verdiepte me in Van Deyssel, las zijn scheldkritieken, Een liefde, en veel stukken van Harry G.M. Prick die later zouden worden opgenomen in diens tweedelige biografie.

Ik ontdekte dat Van Deyssel regelmatig met Frederik van Eeden afsprak, die in Bussum woonde. Dan liepen ze allebei over de hei en kwamen ze elkaar halverwege tegen. Als het mooi weer was, gingen ze wel eens liggen om naar de wolken te kijken. Ze hebben elkaar ook een keer gemist, toen stonden ze voor elkaars huis, na een wandeling van uren. Van Deyssel wandelde ook wel van Baarn naar Amsterdam, een route die meer dan honderd jaar geleden voerde over een aaneenschakeling van particuliere landgoederen.

Ik herinner me een anekdote van Van Deyssel over een penning met zijn beeltenis die zou worden geslagen. De kunstenaar die hiervoor het portret van de schrijver moest tekenen, kwam enkele keren bij Van Deyssel langs. Op een keer vroeg hij of hij stoorde, waarop Van Deyssel vertelde dat hij net in zijn dagboek aan het schrijven was geweest. De kunstenaar vroeg of hij ook in dat dagboek voorkwam. Toen Van Deyssel dit beaamde, wilde de kunstenaar weten wat er dan over hem in het dagboek stond. Van Deyssel zei: laten we daarmee wachten tot u klaar bent.

Misschien staat deze anekdote trouwens ook wel in de bloemlezing die Jeroen Brouwers samenstelde: Zachtjes knetteren de letteren. Dat was een boek dat Ronald Giphart en ik in die tijd aan elkaar voorlazen. Ik herinner me ook nog een verhaal over Godfried Bomans die met Van Deyssel schaakte. Van Deyssel verzuchtte: ‘Ik kan er niets van, nietwaar?’ Bomans zei: ‘Inderdaad.’ Van Deyssel: ‘Men behoort dit niet te beamen.’

Toen kon dat natuurlijk niet, maar nu kun je via youtube en dankzij Beeld & Geluid en het Literatuurmuseum filmpjes vinden waarin Van Deyssel bewegend te zien en sprekend te horen is. Hij spreekt erg sjiek Nederlands, met een bijna Franse dictie, waarvan ik aanneem dat die voor negentiende-eeuwers (Van Deyssel werd in 1864 geboren als Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm) uit zekere kringen gangbaar was. Of hij was natuurlijk gewoon teut toen onderstaand fragment werd opgenomen.

Links van de antichambre van Villetta bevond zich de keuken. Daar dronken we soms thee met de moeder van Boog. Van de oudere broer herinner ik me niet de naam, maar wel dat hij heel sportief was en een jaar naar college in Amerika ging. Ook van een vader weet ik niets meer, maar wie weet komen over hem toch weer details boven als ik probeer aan die tijd, circa 1983, terug te denken. Boog was, zoals veel van mijn vrienden, iets ouder dan ik en ik ben hem na de middelbare school uit het oog verloren, volgens mij heeft hij Nederlands gestudeerd in Leiden.

Als ik bij Boog naar de wc ging, dacht ik altijd: de grote schrijver Van Deyssel heeft waarschijnlijk niet op deze moderne pot zitten kakken, maar zeker heeft hij zijn handen wel eens gewassen boven dit antieke wasbakje.

Ik las vanavond in de Baarnsche Courant dat in de logeerkamer boven de hal van Villetta onder anderen collega’s Frederik van Eeden, Willem Kloos, Herman Gorter en P.C. Boutens hebben geslapen.

Voeg daar Bert Natter maar aan toe, want na een uit de hand gelopen feestje bij Boog (zijn broer zat in Amerika en zijn ouders waren een weekendje weg) hebben we daar eens met zijn allen onze roes uitgeslapen.