Minder of meer leed?

In de Volkskrant van vandaag las ik deze ingezonden brief:

Minder compassie

Arnon Grunberg stelt dat in dagen ver achter ons minder verdriet werd geleden bij kindersterfte (Voetnoot, 24 april). Gezinnen hadden meer kinderen, er was meer sterfte en het geleden verdriet was daardoor minder dan in onze tijd. Had Arnon benoemd dat er vroeger minder geld verdiend werd, minder op vakantie werd gegaan en daardoor in vergelijking met nu er op die vakantie meer genoten werd, dan denk ik dat hij helemaal gelijk had. In materiële zaken went ‘meer’ al gauw. In het geval van persoonlijk verlies als bij kindersterfte is er bij massaliteit, zoals in derdewereldlanden, oorlogsgebieden en wellicht in ons verleden, hooguit sprake van minder compassie van derden.

Timia Rugenbrink, Dieren

Even de krant van 24 april opgezocht, want dit klinkt me bekend in de oren, op de lagere school hoorde ik die riedel al bij geschiedenis en aardrijkskunde: mensen met veel kinderen die veel kinderen verliezen zouden dat minder erg vinden dan mensen met weinig kinderen die een kind verliezen. Grunberg schreef:
Ooit was bijvoorbeeld het geboortecijfer in Europa stukken hoger, net als het sterftecijfer onder kinderen. Zouden ouders toen net zo geleden hebben onder de dood van een kind als nu? Mijn hypothese luidt: minder.
Volgens deze hypothese zou het dus minder erg zijn om in één keer twee kinderen te verliezen dan één. Zo bedoelt Grunberg het natuurlijk niet, hij bedoelt dat er sprake is van een zekere gewenning aan kinderdood. Dat hoop ik tenminste. Ik denk dat het leven in Europa tot ver in de negentiende eeuw was doordrongen van het besef van sterfelijkheid — in die zin kun je zeker spreken van gewenning. De dood was alomtegenwoordig.
De meeste mensen waren ‘ooit’ vaak natuurlijk de hele dag bezig met overleven en hadden daardoor misschien minder tijd om aan hun verdriet toe te geven.
Enkele jaren geleden bezocht ik een tentoonstelling in het Fries Museum waarin het familieleven centraal stond en daar ontdekte ik dat het toch echt anders ligt. In een van de vitrines lag een familiebijbel opengeslagen. Tegenover de titelpagina stonden de namen en jaartallen van grootouders, ouders, kinderen van een zeventiende-eeuwse familie. Bij veel van die kinderen stonden de geboortedagen, de doopdagen en vaak ook de sterfdagen, soms was dat maar één datum.
Al die kinderen hadden een naam gekregen en blijkbaar waren ze allemaal gedoopt (dat moeten soms nooddopen zijn geweest, uitgevoerd door een vroedvrouw) en begraven. Steeds stond er iets bij in de trant van (ik doe dit even uit mijn hoofd): ‘onze lieve Jaapje is nu veilig in Gods armen’ of ‘ons Marietje mocht maar een paar dagen bij ons zijn’.
Ieder kind had een naam gekregen en van ieder kind was gehouden, hoe kort een kind ook had geleefd, het was met liefde ontvangen en er werd met verdriet afscheid van genomen. Een keer stond er ook bij dat een kind was begraven vlakbij het graf van een kindje dat jaren eerder was gestorven: ‘we hebben hem begraven bij onze lieve Jantje’.
Zeker van kinderen die iets langer op de wereld waren werd gehouden, juist ook door het besef dat het zo met ze afgelopen kon zijn. Ik las het nog net in het boek van Maarten ’t Hart over Bach: een kind van een jaar of vier dat sterft, dat kan al lopen, praten en lachen. Dat is heel goed gezien van ’t Hart: zo’n kind kan al lachen, daar hebben de ouders al plezier mee gemaakt, wie weet geknuffeld, gestoeid, ze hebben het in ieder geval gevoed, getroost en in slaap gewiegd. Bovendien is er voor zo’n kind gezorgd, er is in geïnvesteerd, ouders hebben wellicht in slechte tijden het brood uit de mond gespaard om het kind te laten overleven.
Een kind dat sterft is geen gemiste kans, geen glas dat kapotvalt, zelfs geen huis dat afbrandt. Ieder kind is, hoe jong ook, alleen zichzelf. Voor een kind dat sterft geldt nooit: volgende keer beter.
De dood stond natuurlijk altijd op de uitkijk als een vrouw aan het bevallen was, want vaak viel er iets te halen: als het kind gezond ter wereld kwam, kon de dood altijd nog proberen de moeder te verschalken. Geboorte en dood hoorden bij elkaar, in vroeger tijden (en op andere plaatsen in de wereld nog steeds).
Het besef dat elke geboorte de dood van de moeder kon betekenen en dat een kind weinig kans had ouder dan een jaar of vijf te worden moet op ieder echtpaar hebben gedrukt. Ouders van nu zijn benieuwd of het een jongetje of een meisje wordt, ouders van toen waren bang dat het kind of de moeder zou overlijden (en ouders van elders zijn dat denk ik nog steeds).
Mijn hypothese is: misschien leden (en lijden) ze wel meer onder de dood van een kind.