Cadillac

CadillacLogo

Mijn vaders auto kwam niet door de APK. Daar was hij erg verdrietig over, ook al reed hij nauwelijks meer. Telkens als ik bij hem was, begon hij over de auto die hij niet meer bezat.

‘De buurman zet nu steeds zijn wagen bij mij voor de deur,’ zei hij.

‘Wil je een nieuwe? Waarvoor? Je zit altijd binnen te lezen.’

‘Daar gaat het niet om. De vraag is: wat voor een? Die van mij wordt niet meer gemaakt.’

Ik bood aan bij de garage te informeren. ‘Ga anders mee,’ zei ik, zodat hij ook weer eens buiten zou komen.

Bij de garage keken we een beetje rond. Mijn vader wilde geen nieuwe, al kon hij dat best betalen.

‘Wat heeft u aan occasions?’ vroeg hij.

De garagehouder wees naar het parkeerterrein achter de werkplaats. ‘Maak anders een proefritje,’ bood hij aan. Bertus heette hij.

‘Mag dat?’ vroeg mijn vader.

‘Natuurlijk,’ zei Bertus.

‘En als hij niet bevalt?’

‘Dan heb ik pech. En zelfs als hij wel bevalt hoeft u hem niet te kopen, dat spreekt voor zich. U bent tot niets verplicht.’

Ik geloof dat dit voor mijn vader niet zo voor zich sprak, want hij koos meteen een auto uit waarvan ik wist: die zal hij nooit kopen.

‘Daar zie ik u wel in rijden,’ zei Bertus en hij overhandigde mijn vader de sleutel.

Mijn vader wilde dat ik met hem mee ging.

Terwijl hij de sleutel in het contact deed, zei hij: ‘Het voelt toch een beetje alsof we hem gaan stelen, vind je niet?’

‘Wat is dit nou voor een gevaarte, pap?’ vroeg ik. ‘Het lijkt wel een lijkwagen.’

‘Een Cadillac met een V8-motor,’ zei hij. ‘Ik vond het onbeleefd om niet van zijn aanbod gebruik te maken. Deze stond het dichtste bij.’

‘Het is misschien wel de lelijkste auto die ik ooit heb gezien. Hij is veel te groot, je betaalt je scheel aan wegenbelasting en benzine, en je kunt hem nergens kwijt.’

‘Durf eens over de schutting te kijken,’ besloot mijn vader, die zelf nooit verder keek dan uit het raam van de woonkamer, over de rand van deel zoveel van Loe de Jong.

Ik zuchtte. Mijn vader startte de motor.

‘Zie je dat?’ vroeg hij, naar het dashboard wijzend: ‘Je kunt zelfs zien hoe warm het buiten is.’

‘We komen net van buiten, pa. We hebben ondervonden hoe warm het is. Maar het is handig, stel dat je ingesneeuwd raakt en dagen opgesloten zit in deze auto, dan kun je zien dat het buiten inderdaad nog steeds onder nul is.’

‘Het is een automaat!’ zei mijn vader. Hij verschoof de pook van de P naar de D en langzaam gleden we van het terrein van de garage af.

‘Dit is leuk!’ zei mijn vader.

Hij durfde er niet de snelweg mee op, dus maakten we een ritje over de provinciale weg, van rotonde naar rotonde. ‘Het lijkt net of we zweven,’ vond mijn vader. ‘Dat kun je wel aan die Amerikanen overlaten, zeg, auto’s bouwen.’

‘Zullen we teruggaan?’ vroeg ik.

‘Ja, dat is wel zo netjes.’

Terug bij de garage zochten we Bertus op.

‘En?’ vroeg Bertus toen mijn vader hem de sleutel had overhandigd.

‘Dat is pas autorijden,’ zei mijn vader.

‘Ja, hè?’ vroeg Bertus. ‘Ik heb er zelf ook een tijdje in gereden.’

‘Wij begrijpen elkaar, Bertus. Maar ja, hij…’ bij dit woord wees mijn vader laconiek in mijn richting, ‘… vindt hem veel te groot voor mij. Hij maakt zich zorgen over de wegenbelasting en de brandstof. Hij is bang dat ik hem niet kwijt kan bij mij in de straat. En hij vindt hem niet mooi. Dus… Maar als het aan mij lag…’

Bertus glimlachte. ‘Ik begrijp het. Volgende keer beter.’

Toen ik mijn vader naar huis bracht besloot ik niet op de Cadillac terug te komen. Mijn vader zei ook niets, maar toen we bij hem in de straat waren, zei hij: ‘Laten we volgende week weer een proefrit gaan maken.’

Ik denk dat we alle garages in de wijde omgeving hebben bezocht, meerdere malen zelfs, bijna elke zaterdagochtend, zonder dat mijn vader ooit nog een auto kocht. Sommige autohandelaren verwachtten helemaal niet meer dat mijn vader werkelijk tot aanschaf van een wagen zou overgaan, die staken niet eens een verkooppraatje meer af.

Toen mijn vader te ziek werd om nog te rijden, zei hij: ‘Ik had toch die Cadillac moeten nemen.’