Halbe Zijlstra

Halbe Zijlstra was altijd al een praatjesmaker. Op 13 december 2010 stond dit stukje van mij op de opiniepagina van de Volkskrant:

Jeroen Pauw vroeg tijdens de uitzending van Pauw & Witteman op 6 december aan staatssecretaris van Cultuur Halbe Zijlstra: ‘Wat vindt u zelf goed?’ Een leuke vraag. Maar belangrijker dan de smaak van een bewindspersoon is natuurlijk het beleid. De staatssecretaris zei ook dat we moesten ophouden om cultuur als een ‘linkse hobby’ neer te zetten, zelfs als het ironisch wordt gedaan. Zijlstra voegde eraan toe: ‘Cultuur is van ons allemaal’.

Eerder die avond was hij te zien in het NOS-Journaal en verkondigde hij dat alle culturele instellingen zich zorgen moeten maken, aangezien ‘niemand’ zich na 2013 van staatssteun verzekerd kan weten, ook het Rijksmuseum in Amsterdam niet.

Als hij de geschiedenis kende, zou hij wel een toontje lager zingen. Een van de publiekstrekkers van het Rijksmuseum is Het Joodse Bruidje van Rembrandt. Dat meesterwerk is afkomstig uit een verzameling met topstukken van Steen, Hals, Van Ruisdael, Vermeer en Rembrandt, die in de eerste helft van de 19de eeuw werd aangelegd door Adriaan van der Hoop (1778-1854). In het boek De Hollandse meesters staat dat Van der Hoop zijn collectie na zijn dood aan de stad Amsterdam wilde schenken onder de ‘uitdrukkelyke voorwaarde dat de voorzeide verzameling schilderijen na zyn overlyden, voor deze stad of althans voor zyn Vaderland in haar geheel bewaard’ zou blijven.

De stad moest zorgdragen voor afdracht van de successierechten en de geheven toegangsgelden moesten ten goede komen aan de armen. Mocht dit niet lukken, dan konden zijn nabestaanden de collectie, die werd geschat op een waarde van ongeveer 400 duizend gulden, laten veilen. Aangezien Amsterdam voor de successierechten slechts 4.000 gulden wilde of kon vrijmaken en men wist dat koning Willem II die successierechten voor het legaat niet zou kwijtschelden, waren het nota bene de burgers van Amsterdam die het voor die tijd enorme bedrag van 40 duizend gulden aan successierechten bij elkaar brachten.

Deze collectie is dus inderdaad van ‘ons allemaal’, zoals Zijlstra met recht zegt. Het geeft geen pas dat de staatssecretaris doet alsof hij het Rijksmuseum, al 125 jaar de zorgvuldige beheerder van het legaat van Van der Hoop, de wacht zou kunnen aanzeggen. Zulk spierballenvertoon is zijn ambt onwaardig. Crisis of niet: de staat heeft zich juridisch en moreel verplicht deze collectie voor de toekomst veilig te stellen.

Overigens is het mogelijk een dergelijke geschiedenis te vertellen over talloze topstukken en monumenten, want het Nederlandse erfgoed bestaat voor een groot deel dankzij particuliere schenkingen, bruiklenen en legaten. Het is een taak van de overheid om het behoud en beheer hiervan te faciliteren, anders had zij ze nooit moeten accepteren.

Wie het Joodse Bruidje aanneemt, moet wel goed voor haar zorgen